Bloed aan het bord

Het universitaire schooljaar is weer begonnen. Opletten, dus, want dat is het sein voor onze bestuurders om langs 's heren economische wegen te rauzen, even onbekookt als scholieren in september op hun brommers.

Het is voor universiteiten al jaren in de mode om fabriekje te spelen. Zoals New Age priesters hun gezag ontlenen aan woorden die zij van de natuurwetenschappen hebben gejat (energie, krachtveld, lading), zo maken de bestuurders goede sier met termen gepikt uit de zakenwereld: doelmatigheid, ondernemerschap, afrekenen, concurrentie. Vooral dat laatste, want uit het economie-katern weten zij dat fabrieken met elkaar strijden om markt en macht. Dat is mooi, dat is macho, dus het moet.

Er zijn talloze vormen van concurrentie, maar het gaat hier om twee daarvan: academische en economische. Die hebben in het geheel niets met elkaar te maken, en daarom is het zo gevaarlijk om ze door elkaar te halen.

Bezien wij eerst de economische concurrentie. De paarse pausen prijzen die aan als de 'onzichtbare hand', die streng en rechtvaardig leidt naar het grootste goed voor de meeste mensen. Die hand voert ons naar doelmatigheid, het leveren van de beste waar voor de laagste prijs.

Zou het waar zijn? Bij de kruidenier betaalt u ´e´en gulden vijftig voor een liter water. Water uit de kraan kost ongeveer evenveel, maar dan per kubieke meter. Chemisch gezien zijn beide producten vrijwel hetzelfde, maar scheikunde is wetenschap en die is, zoals bekend, maatschappelijk niet relevant. Dus telt de klant graag duizend maal meer geld neer dan nodig is voor een litertje gemeentepils, en dan spreek ik nog niet eens over het maken, verwerken en vervoeren van al die plastic verpakking.

Op de een of andere manier slaagt zo'n waterboer erin om de concurrent uit de markt te prijzen door honderdduizend procent duurder te zijn. Waterdrinkers kopen hun kat in de zak tenminste nog uit vrije wil, maar het kan grimmiger. Concurrentie heeft zakenlieden en hun regeringen ertoe aangezet om buitenlandse HIV-tests doelbewust tegen te houden, om de poen van de een en om de nationale trots van de ander. Velen zijn daardoor aan aids gestorven. De wetenschappers die deze subtiele tests ontwikkelden moeten gek geworden zijn van verdriet en woede, maar geleerden, gewend aan de eerlijkheid van de Natuur, staan machteloos tegen zoveel perfiditeit.

Concurrentie naar zakelijk model leidt tot blokvorming, chauvinisme, micro-nationalisme, en vooral tot korte-termijndenken. Wetenschappelijke vooruitgang komt tot stand door individualiteit, openheid, internationale samenwerking, en verloopt op de tijdschaal van een mensenleven (nou ja, vijftig jaar dan). Zakelijke concurrentie staat dus haaks op de wetenschap. Geen wonder dat de onderzoekslaboratoria in de industrie razendsnel zijn afgeschaft toen de concurrentie feller werd. Een verstandig mens zou het nooit hebben aangedurfd het roemruchte Bell Laboratories te sluiten, want verstandige mensen realiseren zich hoezeer de telefoon en al wat eruit is voortgekomen gebaseerd is op fundamenteel onderzoek. Maar de vrije-marktwerking had het in tien jaar voor elkaar. Wat stellen die Nobelprijzen nou helemaal voor op de termijnbeurs? Dat was dus even lachen, toen ik vernam dat de universiteiten moeten gaan concurreren met hun collegegeld.

Laten we eerst eens de getallen zelf bezien. Drieduizend gulden per jaar, maal vier is twaalfduizend piek. Dat is nog niet eens een aanbetaling op de leasebak die een 'schaars talent' bij indiensttreding kan eisen. Ook het lokken van studenten houdt geen steek. Achter de kreet 'concurrentie' schuiltgeen enkele strategie, geen concept. Een student die daar intrapt is zo dom dat-ie vast nooit afstudeert. Goede studenten worden niet gelokt door kortingen, maar door het vooruitzicht van ofwel het boeiende van het vak, ofwel een solide baan.

Studeren is investeren in jezelf, of het je nu om geestelijke dan wel om materi¨ele zaken te doen is, en de cost gaet voor de baet uyt. Weliswaar kost de student dertig mille per jaar, niet drie, maar de staat wordt terugbetaald door belasting op 'des doctorandus' topinkomen, en iedereen is tevreden.

Het tekent het gebrek aan voorstellingsvermogen van mensen dat zij altijd in een reflex teruggrijpen naar het enige dat ze snappen: geld. Of denken te snappen, want van het grote geld, de oceanen van kapitaal waarin multinationals de regeringen overal ter wereld laten verzuipen, begrijpen universiteits bestuurders niets. Zij kennen slechts de kwartjes die op de zaterdagmarkt rondgaan, en wie voor zo'n kwartje geboren is krijgt nooit vat op de financi¨elewerkelijkheid. Van echt geld snappen zij even weinig als van de algemene relativiteitstheorie. Aan zakelijke concurrentie hebben in wezen idealistische instellingen zoals universiteiten helemaal niets. Wat zij, en onze maatschappij, broodnodig hebben is solidariteit. Er is een gigantische behoefte aan het soort kritische solidariteit die je leert en kweekt in een wetenschappelijk topteam. Het gaat hier om een geheel ander soort concurrentie, beter te beschrijven met het woord wedijveren.

Sportief, totdat de markt er zich mee bemoeit en de doping zijn intrede doet.

In Nederland is concurrentie op collegegeld, en aanverwante trucs, een beperkt en relatief klein conflict tussen in wezen gelijke instanties. Wetenschappelijke concurrentie daarentegen omspant tijd en ruimte, en de echte wetenschapper speelt op het scherpst van de snede. Want academische concurrentie is er wel degelijk, en is van een verbluffende felheid. Vergeleken bij de grote vissen in de wetenschappelijke oceaan is de modale zakenhaai een scholletje.

Een wetenschapper die op een college, colloquium of conferentie kletskoek beweert, wordt niet mild terechtgewezen, maar afgemaakt. Zoals Pauli eens over een zwakke spreker zei: 'Zo jong nog, en reeds zo weinig gepresteerd.' Bejaarde geleerden worden doorgaans ontzien, maar ieder ander wordt levend gevild als-ie niet oppast. Het is meer dan dertig jaar geleden dat ik mijn eerste voordracht gaf, maar toch heb ik elke keer weer plankenkoorts, denkend aan een andere linkse hoek van Pauli: 'Spreker is inderdaad bescheiden. Hij heeft dan ook nogal veel om bescheiden over te zijn.'

Concurrentie en kritiek, jazeker: bloed aan het schoolbord en op de projector. Maar als het goed is (en dat is het meestal) is die kritiek ook solidair. De echte wetenschappers kunnen na de kloppartij toch samen een biertje gaan drinken. Dat ideaal wordt lang niet altijd bereikt; valsspelen en beentjelichten komen voor, veel wetenschappers houden zichzelf uit de wind door zich aan te sluiten bij kliek en claque, een mutual admiration society, evenals de industri¨elen die ons de wet willen voorschrijven hun toevlucht zoeken in kartels, prijsafspraken en fusies. Maar het ideaal blijft, en wetenschappelijke concurrentie blijft haaks staan op zakelijke.

Zaken zijn niets voor een universiteit. Een geleerde is gewoon zomaar geleerd, niet om de positie van zijn Alma Mater op de termijnmarkt te dekken, en ook niet om zijn studenten af te richten op een markt waar wetenschap niet telt. Huygens en Huizinga zijn betere voorgangers dan de lemmingen van de handelsbeurzen, waar de paniekgolven het bewijs zijn dat zij zich niet laten leiden door het licht van de rede, maar door het angstige knaagdierenbrein dat zich uit de diepste lagen van hun hersenkwabben naar buiten heeft geworsteld.

De financi¨ele mens is een een dimensionale mens, die denkt dat onderwijs en onderzoek in niets verschillen van een vat aardolie.