Ambiance

Een bericht in de Volkskrant. 'Toen hem werd gevraagd waarom in de Arena geen minuut stilte werd gehouden voor de overleden oud-voorzitter Harmsen, een man die de club tien jaar leidde, zei Ajax-bestuurslid Henrichs: Omdat dat afbreuk zou hebben gedaan aan de ambiance in het stadion.'

Ambiance.

Ik probeer mij een beeld te vormen van meneer Henrichs, maar er staat iets in de weg: de ambiance van een knotwilg. Meneer Henrichs wil maar niet van vlees en bloed worden. Bestaat hij wel echt? Helaas, hij bestaat. In het leven is hij een duffe klerk, ja-knikker bij geboorte, een man met hond - arme hond. Zo is hij nog redelijk te pruimen, maar in de Arena ontbrandt meneer Henrichs in ambiance. Dan wordt hij een beginselverklaring van geluk en succes. Niet om aan te zien. Een zanger voor een kermistent, om drie uur 's nachts en liever nog iets later.

Weinig is zo aangrijpend als een minuut stilte in een vol stadion. Tenminste als het echt stil wordt, wat maar zelden voorkomt. Ik zou alle minuten stilte van de laatste dertig jaar gaarne bij mekaar willen zien. Dan leer je voetballers kennen. Het zijn altijd dezelfden die het roerloos houden: middenvelders en spitsen.

Voor de meeste verdedigers is er niet aan te beginnen. Zij zijn ook de fanatiekste kauwgom-eters in het elftal. Keepers weten zich helemaal geen raad met een minuut stilte. Ze staan daar dan als wiebelende tijdbommen, behalve Van der Sar: zijn hele leven is van een wonderschone roerloosheid.

Ronald de Boer is de hogepriester van een minuut stilte. Frank niet. Frank kan het hoofd niet buigen, zijn nekspieren blijven zwerven. Hij denkt aan een Thaise bruid of aan een zingende kerstboom. Ronald denkt ook, maar aan waxinelichtjes, aan 'kinderen zonder kinderjaren', aan een voorzichtige tango. De gebroeders Witschge zijn eveneens perfecte stiltemannen. Niet dat ze veel met de dood bezig zijn, maar een minuut stilte is uitstel van zweet, en dat bevalt deze jongens wel.

Ik vraag me nu af hoe ik zelf de minuten stilte door ben gekomen. Ik weet niet waarom, maar altijd met een brok in de keel. In een soort verdrietige lompigheid, tussen hangen en wurgen. De meeste doden die herdacht werden, zeiden mij niets. Het is de paradox die pijn doet: die ene man die er niet meer is en de vijftigduizend anderen die nog even om het niets heen staan met het bronstige verlangen naar 1-0. Natuurlijk zijn de meeste dodenherdenkingen kitsch, en juist daarom ontroerend. Een elftal dat met een rouwband om de arm speelt, mag van mij altijd winnen.

De weemoed wordt ook opgewekt door een gevoel van gezamenlijkheid. Zoals Gladys Knight in het Olympisch stadion in Atlanta 'on my mind' zong, zal ik nooit vergeten. Ook niet omdat de rauwe ballad zo'n schril contrast was met het gebroken leven van Mohammed Ali die in de massa mee stond te luisteren. De gezamenlijke consumptie van eenheid van plaats, eenheid van tijd, eenheid van drama, maakt de massa soms mooier dan ze is. Ze valt in een minuut stilte meestal als een warme jas om me heen.

Echte voetballiefhebbers moeten het toch van de randverschijnselen hebben. De clubs zelf maken het hart niet meer warm. Zij hebben zich uitgeleverd aan investeringsmaatschappijen en aan mediatycoons als Murdoch en Berlusconi. Of aan een malloot als meneer Henrichs. Deze bende denkt niet in stilte, zij denkt in ambiance want ambiance is geld.

Als ik supporter van Manchester United was zou ik voor elke wedstrijd tien minuten stilte afdwingen. Een club die zo van het volk is geweest en die zich nu laat steriliseren in de bankkluis van een televisiemakertje, het is een ondraaglijke gedachte. Ik zie Joop van den Ende al door de catacomben van Ajax lopen. Met meneer Henrichs als slippendrager.