Verdrag tegen risico van handel chemische stoffen

DEN HAAG, 11 SEPT. In Rotterdam ondertekenen vertegenwoordigers van enige tientallen landen vandaag onder auspiciën van de Verenigde Naties een verdrag, dat beoogt de risico's van de handel in gevaarlijke bestrijdingsmiddelen en andere chemische stoffen te verminderen.

Het verdrag stipuleert dat bedrijven uit uitvoerende landen eerst toestemming moeten hebben van het invoerende land.

Daarbij moeten de bedrijven het invoerende land voldoende informatie ter beschikking stellen om een gefundeerd oordeel te kunnen vellen. In totaal gaat het voorlopig om 22 bestrijdingsmiddelen en vijf andere chemische stoffen.

Juist aan geïnformeerdheid ontbreekt het in de praktijk dikwijls, in het bijzonder in ontwikkelingslanden. Zo worden daar soms voor het milieu zeer schadelijke afvalstoffen ingevoerd, zonder dat de autoriteiten zich daarvan bewust zijn.

Het komt overigens ook voor dat die autoriteiten dat wel degelijk beseffen maar in ruil voor steekpenningen of andere gunsten afzien van protesten.

Het gebruik van zulke stoffen kan grote risico's met zich meebrengen voor de volksgezondheid en het milieu.

Volgens Klaus Töpfer, de Duitse directeur van UNEP, de milieuorganisatie van de Verenigde Naties, zijn er zo'n 70.000 middelen op de markt en komen er ieder jaar zo'n 1.500 bij, waardoor het vooral voor kleinere arme landen erg moeilijk wordt om dit allemaal bij te houden.

Het vandaag in Rotterdam getekende verdrag zal pas daadwerkelijk van kracht worden als het door 50 landen is geratificeerd. Tot dan zullen de ondertekenaars de nieuwe afspraken op vrijwillige basis moeten uitvoeren.

Het is overigens de vraag of het ook na inwerkingtreding veel verschil zal maken. Het staat elke soevereine staat immers ook nu al vrij om informatie te vragen over de aard van ingevoerde stoffen.

Om de belangen van de uitvoerende staten recht te doen, is in het verdrag ook een bepaling opgenomen die het invoerende landen verbiedt om met het verdrag in de hand stoffen buiten de deur te houden die ze zelf ook in eigen land produceren.

De betrokkenen gaan er echter van uit dat het verdrag het makkelijker zal maken voor ontwikkelingslanden om althans enige greep te krijgen op de invoer van een aantal gevaarlijke stoffen.

Minister Pronk (VROM), die als gastheer voor de bijeenkomst in Rotterdam optrad, noemde het verdrag “een stap vooruit.”