Toevallige wijsheden

Boekbesprekingen van Szymborska Wislawa Szymborska: Onverplichte lectuur.Vert. Gerard Rasch. Meulenhoff,144 blz. ƒ 29,90

In 1983 verscheen in Warschau De geheimen van tempels en paleizen, een voor een breed publiek bedoeld boek van Bernhard Jacobi over oude culturen en volkeren, aan de hand van allerlei opgravingen. Wislawa Szymborska schreef er een recensie over. Dat wil zeggen: zij vermeldde in haar eerste zin wat ik hier zojuist in mijn eerste zin ook vermeld heb, om daarna meteen een eigen weg in te slaan.

Een boek over opgegraven tempels en paleizen, over hoe ze eruit zagen, met welke materialen ze gebouwd waren en hoe de muren liepen: dat is mooi, maar Szymborska zou nu wel eens een boek willen lezen over hoe al die gebouwen en steden verwoest werden. Want daar lees je nooit iets over. Hoe ging het met de grond gelijk maken eigenlijk precies in zijn werk? Jericho, Mari, Sibaris, Carthago: hoe kregen ze de muren om, hoe haalden ze al die huizen neer? Het kan niet anders dan dat het nog een heel werk geweest moet zijn, dat vroeg om tijd, manschappen, een strakke organisatie en een gedetailleerd vernielschema. Zo'n gedroomd boek over de kunst van het verwoesten zou Szymborska graag lezen. Homo destructor, zo zou het volgens haar moeten gaan heten, en het zou bij voorkeur 'tamelijk dik' moeten zijn. Ze weet er in kort bestek zo aanstekelijk over te schrijven dat je benieuwder raakt naar die nog ongeschreven studie dan naar het boek van Jacobi, waar ze verder met geen woord meer op terug komt.

Deze recensie, die geen recensie is, is in veel opzichten karakteristiek voor de 65 boekbesprekingen van Wislawa Szymborska die nu gebundeld zijn in Onverplichte lectuur. Het is een bloemlezing uit de honderden stukken die zij sinds 1968 schreef. Ze gaan over boeken die meestal onbesproken blijven - vandaar de titel. Populair-wetenschappelijke boeken over opgravingen bijvoorbeeld, of over mummies, Hammoerabi of paleontologie. Nuttige handboeken over het houden van kamervogels of het inrichten van een terrarium. Boeken met titels als Hoe zwemmen dieren?, Hoe word ik sterk en lenig?, Honderd minuten voor onze schoonheid, Hatha yoga voor iedereen, Leef gelukkig zonder zorgen en Het behangen van de woning. Af en toe gaan ze ook over literatuur (Jules Verne, Sappho, de sprookjes van Andersen), maar dan meestal in de afgeleide vorm van memoires of dagboeken.

Intussen zeggen deze onderwerpen en titels niet veel, want net als bij De geheimen van tempels en paleizen is het te bespreken boek voor Szymborska meestal niet meer dan de aanleiding voor een hoogst particuliere uitweiding. In haar bespreking van Anna Lipinska's Alles over het huishouden (Warschau, 1976) neemt zij nog wel een enkele curieuze huishou delijke tip over (pannen moet men 'van de rechterkant naar de linkerkant toe afwassen en niet omgekeerd'), maar al snel struikelt zij over de vele vanzelfsprekendheden die Lipinska te berde brengt, van het type 'Een maaltijd bestaat uit een of enige gerechten' en 'Tijdens het gebruik is ondergoed onderhevig aan vervuiling'. Waarna de bespreking met zichzelf op de loop gaat, en uitmondt in een parodie op de vanzelfsprekendheid, met alle vervreemding vandien: 'Tot slot moet ik vermelden dat ik dit op blanco papier heb geschreven, waarbij ik de woorden van de linker- naar de rechterkant toe samenstelde. De balpen, gekocht in een kiosk, hield ik in mijn rechterhand tussen mijn wijsvinger en duim. (...) Het daglicht, een van de zegeningen van de zonnestraling, drong naar binnen door een beglaasde opening in de wand, raam genoemd.'

Van recensies kun je hier dus moeilijk spreken (dat doet Szymborska zelf ook niet), eerder van columns of van ultrakorte essays. Verrassend, veelzijdig, geestig, leerzaam, in een heldere, natuurlijke stijl, steevast mooi afgehecht in de laatste regel - en aldus heel goed te vergelijken met haar gedichten. Net als in haar po¨ezie overheerst hier de geest van verbazing en verwondering om alles wat er is op de wereld en in al die werelden die via die boeken op haar afkomen. Ze zijn alleen te bevatten door inperking, een zijdelingse blik, een plotseling detail om bij stil te staan.

Een stuk over de Essais van Montaigne gaat niet over de inhoud daarvan, maar over de bij nader inzien verrassende omstandigheid dat Montaigne niet vroeg overleed, zijn essays kon schrijven en ze nog gedrukt zag ook - wat in zijn tijd, met zijn godsdienstoorlogen, helemaal niet vanzelf sprak. Er was genoeg dat Montaigne had kunnen dwarsbomen, en dan had nu een ander werk uit de zestiende eeuw veel meer bewondering geoogst, zonder dat iemand geweten zou hebben dat het zijn faam dan in zekere zin zou danken aan de afwezigheid van de Essais. Dit is geen nieuwe gedachte, maar zelden schrijft iemand zo fris en aanschouwelijk over de vreemde waarheid die eraan ten grondslag ligt: dat iedereen weet dat er overal in de geschiedenis lege plekken zijn, maar dat er 'alleen geen manier is om hun bestaan te bewijzen'.

Van zulke toevallig gevonden wijsheden en terloopse aforismen wemelt het in Onverplichte lectuur. 'Geen enkele opleiding, zelfs de hoogste niet, kan iemand verbieden een slechte smaak te hebben.' Over een bodybuilder die fanatiek bleef bodybuilden, ook al had het meisje op wie hij indruk wilde maken al lang voor een ander gekozen: 'De bezeten felheid waarmee hij zijn spieren ontwikkelde (...) heeft niemand enige schade berokkend, en dat is al iets dat telt op deze niet bijster goede wereld.' En passant steek je er nog heel wat van op ook (hoeveel violen, altviolen en cello's maakte Stradivari?), en verder is er veel humor, meestal van de laconieke soort. Het plotselinge inzicht dat er tijden zijn geweest waarin men nog geen koffie, thee of tabak kende, leidt tot een uitvoerige opsomming van alle meesterwerken die geschreven moeten zijn zonder dat de auteurs hun toevlucht konden nemen tot deze genotmiddelen. Het is voor Szymborska een vreemde en onbevattelijke gedachte. 'Hiermee sluit ik af, zonder tot enige conclusie te komen.'

Onverplichte lectuur is geen boek om snel achter elkaar te lezen, want daarvoor is elk van deze 65 columns te goed. Elke dag ´e´en, als was het een scheurkalender voor de komende twee maanden. Aan het genre van de scheurkalender is trouwens ´e´en van haar mooiste stukken gewijd. 'De kalender is het enige boek dat niet van plan is om ons te overleven', zo noteert ze in haar recensie van De wandkalender voor 1973 (Warschau, 1972). Dat ze bij het lezen van al die 365 voor de vergankelijkheid bestemde blaadjes op een fragment van een gedicht van haarzelf stuitte, stemde haar melancholiek. Het is tekenend voor haar gevoel voor humor dat zij vervolgens niet de versregels citeert, maar het recept op de achterkant ervan, daarmee in ieder geval de Weense kaaskoek voor vergetelheid behoedend.