Toen Tutsi's nog Hutu's waren: De erfenis van Congo

Colette Braeckman: Rwanda, Burundi, Congo-Zaïre. De wortels van het geweld. Vertaald door Ward Coenegrachts en Tineke Jager. EPO, 284 blz. ƒ 39,90 Els De Temmerman: Afrika, continent in beweging. Van Reemst/Icarus, 319 blz. ƒ 39,90

Ooit was het hart van Afrika in Belgische handen. Niet dat België bijzonder naar dat gebied gehengeld had, er ellebogengevechten voor had geleverd met de koloniale mogendheden. Het is België toevertrouwd, zonder dat het land erom vroeg.

Eerst Congo, in 1908 nagelaten door Leopold II, de tweede koning van België, die zich dat enorme gebied tussen de Congostroom en de grote meren had toegeëigend als een privétuin vol rijkdommen en curiosa. In 1921 wees de Volkenbond België het beheer toe over Rwanda en Burundi. Dit waren twee van de schaarse Duitse kolonies geweest. Ze werden de Duitsers na Wereldoorlog I ontnomen. België kreeg het mandaat als een schadeloosstelling voor het ondergane leed en de schending van zijn neutraliteit in 1914.

Voor België hoefde dat niet. Het vreesde de kosten voor de organisatie en concentreerde zich liever op de tweede Industriële Revolutie en na 1918 op de wederopbouw. Dit Midden-Afrika is de afgelopen jaren danig in het nieuws geweest. Er waren volkerenmoorden, aanslagen op presidenten, een geveinsd democratiseringsproces, burgeroorlogen, vluchtelingenstromen, economische verwaarlozing, ecologische rampen en geslaagde revoluties. Het was amper te volgen. Veel meer dan vaststellen hoe erg het allemaal wel was konden we niet. Stelling nemen was voorbarig en onverantwoord gewaagd. Herdefiniëring Belgische uitgeverijen hebben over die ontwikkelingen al menig boek gelanceerd. Slechts weinige daarvan zijn even helder of diepgravend als de recente publicaties van Els De Temmerman en Colette Braeckman. Afrika, continent in beweging is een tot naslagwerk gepromoveerde bundeling van artikelen die De Temmerman over Afrika schreef voor De Volkskrant en De Morgen. De oudste ervan verslaan de invasie van de Amerikaanse VN-troepen in Somalië in december 1992, maar de meeste dateren van na 1995. In die tijd heeft De Temmerman bericht vanuit een twintigtal Afrikaanse landen, maar de helft van de bundel betreft de regio van de grote meren.

De artikelen van De Temmerman zijn doorgaans documentaires. Zij interviewt hoog en laag en beschrijft de menselijke gevolgen van oorlogen en natuurrampen. Maar zij is ook in staat om binnen het bestek van een half artikel een overzichtelijke geschiedenis te schetsen van een land.

Colette Braeckman levert over Afrika al jaren onderzoeksjournalistiek voor Le Soir en Le Monde. In De wortels van het geweld analyseert zij scherp gepend in hoever het etnische geweld, vooral in Rwanda en Burundi, een erfenis is uit de koloniale tijd. De grote lijnen van dat verhaal zijn in België al langer bekend. De termen Hutu en Tutsi stammen uit prekoloniale tijden. Zij verwezen toen naar feodale standen, die leefden in een sacrale samenhang. Zo was er een koning, de Mwami, en dat was een Tutsi.

De Duitse kolonisator herdefinieerde de begrippen. Wie een bepaald aantal stuks vee bezat was nu Tutsi, de rest Hutu. De Duitsers hadden namelijk gemerkt dat de veehouders meer ontwikkeld waren dan de landbouwers en betrokken hen in het bestuur. Het onderscheid was dus vrij willekeurig, want het kon zijn dat een Hutu een broer had die Tutsi was. Bovendien was het niet onmogelijk om naarmate men rijker of armer werd van groep te verhuizen. Toen de Belgen de voogdij over deze gebieden kregen, hebben zij die indeling overgenomen, en op hun beurt de Tutsi's tot hun uitverkoren partners gekozen. Maar zij hebben een einde gemaakt aan de mobiliteit tussen beide groepen. De Belgen hebben de sociale klassen omgevormd tot etnische eenheden.

In de jaren vijftig, in het zicht van de onafhankelijkheid, hebben de Belgen het geweer radicaal van schouder veranderd. De Hutu's waren in de meerderheid en de principes van de democratie eisten dus dat zij de meeste belangrijke posities toebedeeld kregen. In werkelijkheid, toont Braeckman aan, distantieerde België zich van de Tutsi's omdat velen van hen het pan-Afrikanisme deelden van als links bestempelde politici zoals de Kongolees Lumumba. Er werd gevreesd dat Rwanda en Burundi onder hun leiding een eigenzinnige koers zouden varen. Met de Hutu's, die nog enkele jaren uit de hand van de kolonisator konden eten, zou een vorm van volgzame verstandhouding verzekerd blijven.

Zo hebben de Belgen eerst de integratie tussen beide groepen verbroken, en vervolgens door ze om beurt achter te stellen beide tegen elkaar opgezet. De Hutu-leiders van hun kant hebben, om hun opstandigheid tegen hun aloude heren te verantwoorden, een complete Tutsi-vijandige retoriek moeten creëren. Dit lijkt dan ook Braeckmans centrale stelling: in Centraal-Afrika werd macht tot nog toe gehandhaafd door etnische manipulatie, een verdeel- en heersprincipe, dat het neo-kolonialisme diende, maar intussen een haat verspreidde die in een periode van economische crisis wel moest uitbarsten. Ook dictators als Mobutu en Habyarimana hadden belang bij etnicisering en neo-kolonialisme. Toen Etienne Tshisekedi in 1992 door een Assemblée Nationale was gekozen als eerste minister, werden in opdracht van Mobutu in Shaba stemmentwisten geënsceneerd, met de bedoeling Tshisekedi's positie te ondermijnen. Het Hutu-regime van Habyarimana in Rwanda heeft de anti-Tutsi propaganda nooit geschuwd.

Kabila

De opvattingen van De Temmerman sluiten daar grotendeels bij aan. Net als Braeckman gelooft zij in het Afrika van de Oegandese president Museveni. Met hem kán de echte dekolonisatie beginnen. Onder zijn regime kent Oeganda een economische groei. Maar belangrijk is vooral dat de VS in hem geloven. Hij vertegenwoordigt voor hen het nieuwe type leider dat Afrika nodig heeft. Veel van wat de jongste jaren in de regio gebeurd is, valt te verklaren vanuit die koerswijziging van de VS. Paul Kagame, de Tutsi-rebellenleider die in juni 1994 de macht nam in Rwanda, had gevochten in het leger van Museveni.

De opstand die in het voorjaar van 1997 de machtswissel bracht in Zaïre, was in gang gezet door Rwanda. Op het ogenblik van de publicatie kreeg Kabila nog krediet van De Temmerman. Al van bij zijn aantreden evenwel kon men zich afvragen of deze man paste in het concept van Museveni en van de VS. De huidige opmars van rebellen in Congo moet zeker ook in dat licht gezien worden. De Temmerman is nog vol hoop, maar voorzichtig. Westerse bedrijven zijn verwikkeld in een nieuwe wedloop naar Afrika, een verwoede strijd om de verdeling van de beste brokken. Sommige Afrikaanse landen kennen een jaarlijkse economische groei van zes procent. Maar er zijn ook problemen, de afhankelijkheid van Westerse landbouwoverschotten in de steden, de export-gerichte economie, opgelegd door de Wereldbank. In verschillende landen hebben ook burgeroorlogen gewoed. Daar moet werk gemaakt worden van verzoening.

In Rwanda en Burundi ligt dat niet gemakkelijk. Het internationaal tribunaal in Arusha, dat de verantwoordelijken voor de genocide op Tutsi's (1994) moet veroordelen, is geen onverdeeld succes. In de oostelijke provincies van Congo-Zaïre, vlot nog een massa van niemand weet hoeveel Hutu's, gegijzeld door Hutu-milities die zich schuldig gemaakt hebben aan de volkerenmoord, of achternagezeten door Kongolezen die hun gronden door de vluchtelingen ingepalmd zagen.

Onder die Hutu's leeft een zware vorm van revisionisme. De Temmerman ziet in die weigering tot berouw terecht een groot gevaar. Er zijn daar massa-psychologische processen aan het werk die culturele antropologen een zee aan inzicht kunnen verschaffen over mythevorming, offers en groepssolidariteit. Wanneer het schuldgevoel verdrongen wordt, moet de retoriek van de haat het nodige psychische comfort verschaffen. De kerk zou een positieve rol kunnen spelen, maar zij is verdeeld. In het verleden heeft zij zelf de kloof tussen Hutu's en Tutsi's uitgediept.

Volgens Braeckman trokken meer bepaald Vlaamse missionarissen al heel vroeg partij voor de Hutu's, omdat zij een projectie maakten van hun eigen achterstelling in het francofone België. In de jaren vijftig associeerde de kerkelijke hiërarchie pan-Afrikanisme met communisme. Tijdens de genocides van 1994 waren er onder geestelijken zowel helden als moordenaars. Nu zijn er zowel verzoeners als rabiate revisionisten.

Een groot probleem is dat elke herinnering aan de genocide de Hutu's als etnische groepering in het verdomhoekje plaatst. Paul Kagame verklaarde eind januari bij een bezoek aan de Europese instellingen dat hij Westerse sympathiebetuigingen aan het adres van de Tutsi's niet echt op prijs stelt. De toekomst wordt volgens hem het best gediend, wanneer men ophoudt een verband te leggen tussen schuld en etnische groep. Natuurlijk laat Kagame zich op zo'n ogenblik van zijn sportiefste kant zien. Bij de huidige opstand tegen Kabila draait het eerste Rwandese belang toch alweer om Hutu's: het verlangen om het aanzienlijke restant van gewapende Hutu's op Kongolese bodem eindelijk eigenhandig aan te pakken.