Schrijvers hebben de plicht zo goed mogelijk te liegen: Op toernee met Meir Shalev

“Ik maak niets mee”, zegt Meir Shalev. “Ik leid een heel saai leven.”Maar zijn verzinsels zijn fascinerend. De Israelische schrijver maakt een tournee langs Nederlandse boekhandels ter gelegenheid van het verschijnen van zijn boek 'De grote vrouw'.

“Kijk! Een heuvel!”

“Dat is geen heuvel. Dat is een berg.”

We zijn op de grens van Zeeland en Brabant. Dit hier, achter ons, heb ik net verteld, stond tijdens De Grote Vloed allemaal onder water. En dat daar, wees ik richting voorruit, is een andere wereld, waar de mensen katholiek zijn en af en toe zelfs feest vieren. De scherpe lucht van varkensmest wordt de wagen in geblazen. Meir Shalev ziet de heuvel.

Vlak als de woestijn is het hier.

“Toen ik De grote vrouw af had heb ik de Landrover gepakt en ben ik de woestijn ingegaan. Ik heb er een week gezeten. In mijn eentje. Ik heb een mooie grote acacia uitgezocht, een boom die mij goedgezind was, je hebt ook bomen die je vijanden zijn, en toen heb ik de wagen geparkeerd en een week onder die boom geleefd. Ik had honderd liter water bij me, wat eten, een doos boeken.”

“Je was alleen?”

“Alleen. En je bent nergens zo alleen als in de woestijn.”

Ik ben één keer in de woestijn geweest. Tien jaar geleden. We waren met zijn drieën, een filmer, een geluidsman en ik, en hadden een hele week overlevenden van de Tweede Wereldoorlog geïnterviewd. Nu hadden we een dagje vrij. Mijn metgezellen wilden naar de Dode Zee. Ik kreeg ze na enig bedelen zo ver dat we daar via de Negev heen zouden rijden.

“Ik weet niet waarom”, zeg ik, “maar ik heb mijn hele leven lang de woestijn willen zien.”

“En?”

“Het mooiste landschap dat ik ooit heb gezien. Ik zou er kunnen leven.”

Hij zegt: “Eerst, als je aankomt, vliegen de vogels op, dieren schieten weg. Alles is onrustig. Dan, na een dag of twee, komen de vogels terug en gaan weer in de boom zitten. En langzaam begin je in het ritme van de woestijn te komen. Minieme verschuivingen in het opkomen en ondergaan van de zon. Je ziet het zand niet meer als een vlakte, maar als ... zand. Het krijgt structuur. Het gaat leven. En je verandert zelf.”

“De Fransen hebben er een uitdrukking voor, uit de tijd dat ze nog in Noord-Afrika zaten. La baptême du solitude.”

“Ik ben niet zo spiritueel.”

“Ik ook niet. Ik weet ook niet of ze het spiritueel bedoelden. Eerder als een soort reiniging door stilte en eenzaamheid, een plotseling gevoel van overweldigende eenzaamheid.”

Hij knikt. “Het is een reiniging. Je wordt leeg en schoon. Tenminste: zo voel je je.”

Refael Maier, de hoofdpersoon van Meir Shalev's nieuwe roman De grote vrouw, groeit op tussen vijf formidabele vrouwen die zich bij tijd en wijle gedragen als één vrouw, met tien handen, vijftig vingers, vijf stemmen en tien borsten. Het is een even indrukwekkende als onderdrukkende ervaring. Als hij volwassen wordt accepteert hij een baan bij het Israelische waterleidingbedrijf en wordt hij controleur van een pijpen- en leidingenstelsels dat zich in de woestijn bevindt. Daar is hij, meestal, alleen. Soms komt zijn ex-vrouw, Rona, langs om hem te plagen en met hem te vrijen. Af en toe duikt in de verte de gestalte op van de grote vrouw. Ze komt hem ingemaakte augurken brengen of zijn voeten zalven. Maar meestal is er niets dan hij en het zand.

“Waarom ben je pas nadat je het boek af had de woestijn ingegaan?”

“Ik was moe. Ik was uitgeput. Of bedoel je waarom ik het niet bij wijze van research heb gedaan?”

Ik knik.

“Ik ga bijna elk weekeinde de woestijn in, meestal met mijn vrouw. Als je in Jeruzalem woont is de woestijn van Judea je achtertuin. De woestijn kende ik al. Ik had nu alleen behoefte aan rust. Ik wilde alleen zijn.”

In de verte doemt de bebouwing van Tilburg op. Het is dinsdagmiddag, de eerste september. Een uur of twee geleden zijn we in Middelburg iets begonnen dat we 'de tournee' noemen. Ik zal hem in vijf verschillende plaatsen voor publiek interviewen. Vandaag Middelburg en Tilburg, morgen Leiden en Delft en tenslotte, zaterdag, Rotterdam. Daarna haak ik af en gaat hij op pad met Connie Palmen en zijn vertaler Ruben Verhasselt. Dit is geen stunt van zijn uitgever. Connie, zijn vertaler en ik doen dit, omdat we van zijn werk houden.

Als we Tilburg binnenrijden zoeken we 'De Heuvel'. Daar hebben we met Joan, die uitgever Vassallucci vertegenwoordigt, afgesproken.

“Het ziet er niet als een erg heuvelachtige stad uit”, zegt hij.

“Ik denk dat we ook niet echt op glooiende hellingen met pittoreske bebouwing moeten rekenen. De Heuvel zal wel een soort bult met klinkers zijn.”

“De herinnering aan een heuvel.”

“Een gewenste heuvel.”

We hebben elkaar een jaar of wat eerder ontmoet tijdens een diner dat de toenmalige Israëlische ambassadeur ter zijner ere gaf. Van die gelegenheid herinner ik mij alleen de vreemd huiselijke sfeer ('Eten bij oom Ben en tante Saar', noemen we het later), Connie Palmen, de lange tafel en de ambassadeur die, referend aan de oude jiddische mop, zijn zoon voorstelde als mijn-zoon-de-advocaat.

“Herinner je je niet dat hij die map met pennen liet zien?”

Ik weet van niets.

“Hij verzamelt klassieke vulpennen. Parkers. Je kent die dingen wel. Prachtige pennen. Hij had een hele map. Toen vroeg hij: Meir, schrijf je met een pen of een computer?”

“En jij zei...”

“Met een computer. En dat is ook zo. Jammer, zei de ambassadeur, anders had ik het een eer gevonden als je zo'n pen wilde aannemen.”

“God...”

“En toen zei Connie: 'Nou, je kunt hem ook nog altijd een computer geven.”'

Ik had toen één boek van hem gelezen, De kus van Esau. Men schijnt het zijn moeilijkste boek te vinden. Ik vond het een meesterwerk. Het is een boek van veel verhalen, ondermeer het verhaal van het brood.

“Het is een liefdesverklaring”, zeg ik, tijdens het interview in de Tilburgse boekhandel.

“Brood is ook iets bijzonders. Mensen hebben een diepe band met brood. Ik had in mijn studententijd een nachtbaantje en aan het einde van mijn dienst, als ik klaar was, ging ik naar een grote bakkerij aan de rand van Jeruzalem en elke nacht kwam ik daar dezelfde mensen tegen. Ik was nooit alleen. Allemaal mensen die vers brood, zo uit de oven, kwamen halen. Ze kwamen op de geur af. Gekken, eenzamen, mensen met pijn, mensen die niet konden slapen.”

“Brood troost.”

“Het is de grote trooster. Niemand passeert een bakkerij, ruikt de geur van vers brood en blijft onberoerd.”

“Dus”, zeg ik, “dat is jouw research voor De kus van Esau geweest...”

Hij schudt het hoofd. “Ik ben een paar nachten naar bakkerijen geweest. Van die ouderwetse bakkerijen waar het brood nog in stenen ovens wordt gebakken. Ik heb met bakkers gepraat en gekeken wat ze deden, notities gemaakt, ze op de vingers gekeken.”

“En toen heb je zelf een brood gebakken.”

“Ik heb nog nooit een brood gebakken.”

Hij is het soort schrijver dat grotere waarde hecht aan literair vakmanschap dan aan de aanraking van de muze. Hij maakt elke dag hetzelfde aantal uren, staat altijd even laat op, stopt prompt om zes uur. En dat drieëneenhalf jaar. Dan is er een nieuw boek.

“Ik neem aan dat je werk niet erg autobiografisch is?”

Het antwoord is het antwoord dat ik zelf altijd geef. Het verrast me. Zijn boeken bevatten autobiografische elementen, waar hij herinneringen leende, van zichzelf en anderen, en bewerkte. Maar hij neemt zichzelf nooit als onderwerp.

“Ik maak niets mee”, zegt hij. “Ik leid een heel saai leven.”

“Dat kan ook niet. Je zit altijd achter de tafel.”

Een paar dagen later, tijdens ons laatste interview, in de Rotterdamse boekhandel Donner, blijkt dat niet helemaal waar te zijn. Iemand in de zaal wil weten waarom hij zo vaak over de dood schrijft. Het is een vraag die valt te verwachten. In De grote vrouw is Refael Maier de enige man tussen vijf vrouwen die op één na, allen weduwe zijn. De mannen in de familie sterven allemaal tussen hun veertigste en vijftigste, onveranderlijk aan vreemde gewelddadige ongelukken. De vrouwen zijn het als de werking van de natuur gaan beschouwen. Refael, die ten tijde van het verhaal al een vroege vijftiger is, wordt dan ook bekeken met de verwonderde blik van mensen die een fenomeen aanschouwen. Zijn grootmoeder beweert zelfs dat ze al over de honderd is, omdat het de bedoeling is dat ze pas na haar kleinzoon sterft.

Shalevs antwoord op de vraag uit het publiek is aanvankelijk het algemeen literaire antwoord dat iedere schrijver op die vraag geeft, maar dan, bijna alsof hij het zich nu pas herinnert, vertelt hij dat hij zelf ooit bijna dood is gegaan. Hij heeft me dat een paar dagen eerder verteld, bij wijze van grap. In zijn diensttijd werd hij het onderwerp van 'friendly fire' (beschoten door eigen troepen). Nu valt de luchtige opmerking van toen samen met De grote vrouw, met veel van zijn werk. Het is zo'n moment waarop de vraag van een lezer je ineens inzicht geeft in wat je hebt gedaan.

“We waren op patrouille en ik werd geraakt. Het zag er niet best uit, ik lag op sterven. Een tijd lang leek het alsof ik het niet zou halen. Ik herinner mij die tijd als het meest diepe in mijn leven. Ik was erg ... geïnteresseerd in mijn eigen dood. Alles was diep, betekenisvol. Ik was niet meer bang. En daarna ook niet meer. Ik heb me daarna altijd min of meer onsterfelijk gevoeld. Nu ben ik vijftig en ik weet dat mijn tijd opraakt, maar heel lang heb ik het idee gehad...”

“Dat je 'pre-hit' was? John Irving laat Garp dat zeggen als een vliegtuigje zich in het huis boort dat Garp en zijn vrouw willen kopen. Garp wil het huis dan kopen, omdat de kans dat het ooit nog door een dergelijke ramp wordt getroffen...”

“Statistisch te verwaarlozen is, ja. Dat gevoel had ik. Misschien moet ik daar een keer over schrijven. Het is het enige dat ik ooit echt heb meegemaakt.”

“De rest is werk.”

“Leugens,” zegt hij. “Wij zijn leugenaars. Wij mogen liegen. Wij hebben de plicht om dat zo goed mogelijk te doen.” Hij vertelt het verhaal dat ik een paar dagen eerder in de auto hoorde. Of was het in Italiaans broodjeshuis Michelangelo? Of op het terras in Tilburg, toen we het winkelcentrum niet in konden en mosterdsoep aten en hij werd herkend door de Israëli die naast ons zat?

“Ik heb een keer een verhaal van een oom gebruikt. Hij vertelde dat toen ik een jongetje van vijf was, zoiets. Er was in ons dorp een ezel. Hij vertelde: de ezel komt 's nachts naar buiten, kijkt om zich heen of er niemand is, spreidt zijn grote oren, beweegt ze op en neer en vliegt weg. Ik had geschreven: hij vliegt naar Londen om daar met de koning van Engeland over de toekomst van het zionisme te spreken. Op een familiebijeenkomst nadat het boek uitkwam zaten alle familieleden daar met hun exemplaar van het boek, iedereen met krasjes en aantekeningen in de marge. Mijn oom staat op en zegt, en hij was een beetje opgewonden, dat kon ik zien: Meir, je hebt mijn verhaal over de ezel gebruikt. Dat klopt, zei ik, mocht dat niet. Jawel, dat mocht wel, hij was er zelfs blij mee. Maar, zei mijn oom, je weet toch dat het niet waar is? Ik zei: wat bedoel je? Een ezel die vliegt. Natuurlijk is dat niet waar. Neenee, zei hij, die ezel kon vliegen, daar gaat het niet om. Maar hij ging niet naar Engeland. De ezel vloog naar Turkije en sprak daar met de sultan! Dat was het moment waarop ik besefte hoe krachtig de leugen is.”

“Zo krachtig”, vraag ik, “dat je er zelf in gelooft? Ik bedoel: je hebt soms toch een personage dat voor jou meer is dan de woorden?” Ik denk aan een paar personages van mijzelf, maar ook aan Refael Maier's ex-vrouw Rona, die van de pagina's van De grote vrouw af sprankelt.

“Rona”, zegt hij. “Ik heb Rona voor mijzelf bedacht. Drieëneenhalf jaar aan een boek werken is lang. Af en toe moet je iets voor jezelf hebben. Rona was voor mij. Het was zelfs zo sterk dat mijn vrouw, toen het boek af was, vroeg: Wie is die Rona eigenlijk? Niemand, zei ik, het is gewoon schrijven. Dan is het op zijn minst 'wishful writing', zei mijn vrouw.”

Als ik, na het afscheid, door de zachte warme regen terugloop naar huis, herinner ik me wat hij vertelde over zijn late debuut. Hij was al bijna veertig toen hij zijn eerste boek publiceerde. Daarvoor werkte hij voor de Israëlische televisie, waar hij een populaire talkshow had. Het is iets waar hij met een nauw verholen afschuw over praat. Je wordt leeggezogen, zei hij.

“Televisie is goed voor de kijkers, maar de mensen die er werken worden gecorrumpeerd. Elke vrijdagavond, aan tafel, toen ik al vijf-, zesendertig was,vroeg mijn vader: En Meir, wat ga je doen als je later groot bent? En ik zei dan: Maar ik heb een baan, ik verdien mijn brood, ik ben er goed in. En mijn vader zei, elke vrijdagavond: Nee, dat bedoel ik niet, ik bedoel iets echts.” Meir Shalev: De grote vrouw. Vert. Ruben Verhasselt. Uitg. Vassallucci. Prijs ƒ 49,90 Meir Shalev signeert zaterdag in de Bijenkorf in Den Haag, van 11.30-12.30 uur,in de Bijenkorf in Amstelveen. Vanaf 15 uur signeersessie en interview door Connie Palmen, van 20-23 uur in café Eik en Linde, Plantage Middenlaan 22 in Amsterdam lezing, film en signeersessie inl. 020 4044019 en 6719674. Zondag in De Bijenkorf in Amsterdam van 13-14 uur interview door Ruben Verhasselt, van 15-16 signeersessie in boekhandel Joachimstahl, Van Leijenberghlaan 116 in Amsterdam.

Die ezel kon vliegen, daar gaat het niet om. Maar hij ging niet naar Engeland. Hij vloog naar Turkije