Paradoxale zelfhaat: Tweede roman van Nanne Tepper

Na een minuut of wat zonk ze weg, haar hand in mijn nek. Haar geuren dwarrelden neer: parfum en meisjeszweet, zo wreed van schoonheid en bederf; haar adem jong, alsof in haar frambozen groeiden; haar ongewassen haren als meisjeshaar, als niets dan meisjeshaar. Ik maakte mij los uit haar verkrampte omhelzing. Ze liet zich geruisloos vouwen. Uit Nanne Tepper, De vaders van de gedachte Nanne Tepper: De vaders van de gedachte. Contact, 143 blz. ƒ 34,90

Een dochter van dertien met een ongeneeslijke ziekte, een vader die als conferencier het vertrouwen in zijn métier heeft verloren - laat deze dochter haar vader vergezellen op diens laatste tournee, en je hebt het recept in handen voor een melodrama. Nanne Tepper (1962) heeft er zijn tweede roman De vaders van de gedachte mee geschreven, waarin het gaat om het leven en de kunst, de verbeelding tegenover het noodlot, het verlangen naar God, het verlies van onschuld, de liefde en de dood. Grote woorden stuk voor stuk, die aangeven dat Tepper zich niet beperkt tot de alledaagse, overzichtelijke feiten van het bestaan.

Een schrijver met ambitie toonde hij zich ook al in zijn met de Anton Wachterprijs bekroonde debuut De eeuwige jachtvelden uit 1995. Een met opmerkelijk stilistisch vernuft geschreven vierluik, vol literaire verwijzingen, over onder andere incest, dreigende ondergang en - eveneens - verlies van onschuld. De nieuwe roman is simpeler van compositie en kleiner van omvang, zij het niet simpeler en kleiner van thematiek. Maar de vraag die zich naar de voorgrond dringt, is in beide boeken dezelfde: hoe van het leven literatuur te maken, zonder de werkelijkheid van de ervaring te verraden?

Het is voor Tepper, zoals het een echte schrijver betaamt, geen academische vraag, maar een vraag die in het schrijven zelf - proefondervindelijk - moet worden beantwoord. Zijn romans hebben niets van vingeroefeningen, ook al worden er diverse stijlregisters in uitgeprobeerd. Tepper zet meteen alles op het spel. Vandaar de grote thema's, de schrijnende gegevens, het risico van melodrama. Alleen zo, zal hij hebben gedacht, schrijf je op het scherp van de snede. Wie het voor minder doet, kan beter zijn mond houden.

Uit De vaders van de gedachte spreekt een hevig verlangen naar authenticiteit, naar het echte leven, dat wordt opgezocht in zijn meest barre, meest pijnlijke gedaante. De literatuur kan daarbij in de weg zitten, en dat verklaart de paradoxale tirades tegen met name de roman, 'die verachtelijke kunstvorm, die modderige plas uitgelopen poëzie'. Verachtelijk is de roman vooral, zo blijkt, vanwege de schijn van orde en harmonie die hij suggereert, met zijn kloppende symboliek en zijn hoogmoedige verheffing van de schrijver, die zich in zijn romanwereld een god waant. Dan liever de poëzie. 'De wereld rafelt al sinds het begin der tijden. Alleen verzen kunnen dit bewijzen: zij bieden alle uitwegen denkbaar, zij pretenderen niet te kloppen, ze gebieden je te ontsnappen aan de dwingelandij van woorden en van ritme'.

Het is overigens niet Nanne Tepper die zich hier uitspreekt, maar de verteller van zijn roman, een 33-jarige conferencier die Co Starring heet. Op zijn vak is hij uitgekeken, de poëzie die hij lange tijd schreef (uit behoefte aan echte kunst naast de kleinkunst) heeft hij vaarwel gezegd, en de uitspraak komt voor in het verslag dat hij - achteraf - maakt van zijn laatste tournee door Nederland in het gezelschap van zijn doodzieke dochtertje Merel. Zelf heeft hij het gevoel 'schaakmat' te zijn gezet, 'al is dit niet de juiste vergelijking, want schaken is zo'n bloedstollend kil spel en de kunstenaar strijdt op leven en dood, of eist een strijd van dat kaliber'.

Met de geheimzinnige spierziekte van zijn 13-jarig dochtertje lijkt hij de strijd te hebben gekregen, waar hij als kunstenaar om had gevraagd. Maar is de kunst toereikend om die strijd te kunnen doorstaan? Naar eigen zeggen was het zijn wens ooit 'een punt te bereiken waarop ik mijn leven zelf tot kunstwerk zou kunnen verklaren'. Een kunstwerk, waarin vrouwelijke 'beschermengelen' hem via 'déjà vu's' momenten van hoger inzicht verschaffen. Aan het slot van zijn 'notities' moet hij constateren daar toch niet zoveel mee opgeschoten te zijn: 'aan inzichten geen gebrek, aan overzicht een broertje dood'. De kunst laat zich niet omvormen tot zoiets als een vervangende religie, of beter gezegd: je kunt van de kunst wel zo'n religie maken, maar als het noodlot werkelijk toeslaat sta je toch met lege handen.

Aan de andere kant: zonder kunst of religie gaat het evenmin, zoals Co's ex-vrouw Esther demonstreert, die door haar vader een 'geboren agnost' wordt genoemd. Tegenover de ongeneeslijke melancholie van Co (die in Merels ziekte zelfs een straf wil zien voor de euthanasie op zijn favoriete grootmoeder) belichaamt zij de natuurlijke vitaliteit. Uit afkeer van Co's 'theatrale' reactie op Merels ziekte heeft zij hem verlaten en tegen beter weten in klampt zij zich vast aan de hoop op herstel en genezing. Toch is ook zij voorgoed verdreven uit het paradijs van hun jeugdliefde en haar vitaliteit, gesymboliseerd door haar seksuele energie, blijkt vrijwel uitgedoofd. Of zoals de vroegrijpe Merel het krachtig uitdrukt: mama heeft 'haar kut op slot gegooid'.

In het verslag van haar vader krijgt de zieke Merel geregeld het woord; afwisselend zijn de hoofdstukken vanuit zijn en haar perspectief geschreven. Van het drietal lijkt zij nog het best met alle ellende overweg te kunnen. Zij mag haar maagdelijkheid dan al kwijt zijn, haar onschuld heeft ze nog wel; zij droomt ervan zangeres in een band te worden en accepteert de ziekte die haar heeft getroffen bijna als iets vanzelfsprekends. Haar vader adoreert zij en hoewel het 'boek van de beroemde kosmopoliet over nimfijnen en bakvissen' haar niet kan bekoren, daagt zij Co onderweg meer dan eens uit als een tweede Lolita.

Opnieuw speelt het lot een wreed spel, want even oud als Esther toen hij haar leerde kennen spiegelt Merel hem een karikatuur voor, een pijnlijk 'déjà vu' van hun uitgebluste liefde. Sinds de dood van zijn grootmoeder was Merel voor hem een nieuwe 'beschermengel' geworden, degene die hem in staat stelde zijn privé-religie van de verbeelding voort te zetten - nu keert dit metafysisch gegoochel zich tegen hem. De werkelijkheid wint het definitief van de kunst.

Na zijn verlamde dochter de zee in te hebben gedragen (een overwinning op de watervrees die zijn levensangst symboliseert), moet Co thuis in Groningen de keerzijde van het leven in de ogen zien. Omdat zijn vroegere beschermengelen (grootmoeder, Esther) zich van hem hebben afgewend, zit er niets anders op dan het lot in eigen hand te nemen en zijn overgebleven beschermengel prijs te geven aan de 'eeuwige droomloze slaap' - het enige verlangen van de mens dat hij nog kan begrijpen. In het laatste hoofdstuk valt Merel in slaap, terwijl de roman dubbelzinnig afsluit: 'En al wat mij rest, is haar o zo teder onder mijn kussen smoren'.

Liefde en dood vallen in deze slotzin samen, letterlijk, want het woord 'kussen' laat zich lezen als een enkelvoud én als een meervoud, al suggereert het eerste hoofdstuk (waarin niet voor niets gewag wordt gemaakt van 'het jaar van de kindermoorden') het eerste. De jongste beschermengel heeft hetzelfde einde gekregen als de oudste.

Ook dat kun je melodramatisch noemen: een vader die zijn dochter ombrengt, uit liefde, na eerst zijn geweten in diezelfde liefde te hebben 'bevroren'. Een melodrama ontstaat door overdrijving, een te zwaar aanzetten van de effecten. Dat is in de eerste plaats een kwestie van stijl. Bij Tepper zijn wel de ingrediënten voor een melodrama aanwezig, volop zelfs, de stijl daarentegen - bitter en zwaarmoedig in Co's hoofdstukken, opgeschroefd vrolijk en naïef in die van Merel - wijst eerder in een andere richting.

De wens is de vader van de gedachte, luidt het spreekwoord. In De vaders van de gedachte zijn alle wensen, in de vorm van onvervulbare verlangens (naar God, naar geluk, naar harmonie), zozeer met elkaar in de knoop geraakt dat het melodrama onwillekeurig verandert in een even woedende als wanhopige tragedie, die juist aan het contrast tussen de stemmen van vader en dochter haar verbeten spanning ontleent. Een tragedie waarin de kunst haar eigen tekort exploreert, met durf, met poëzie, met een soms onthutsend sans gêne en met een in de tekst zelf agressief verloochende ironie die op tegendraadse wijze aan het 'oprecht veinzen' van Frans Kellendonk herinnert. De kunst mag dan stuklopen op de tragische realiteit, er is nog altijd kunst voor nodig om dat overtuigend te laten zien.

Hetzelfde geldt voor de roman als kunstvorm, die Nanne Tepper bij monde van zijn verteller zo opzichtig door het slijk haalt. Wie in een roman de roman denkt te kunnen bestrijden, geeft immers vooral te kennen hoezeer hij stiekem in de mogelijkheden van het genre gelooft. Het resultaat is er in dit geval om te bewijzen: niet ten onrechte.