Oog en licht komen elkaar tegen: Pieter de Hooch, schilder van Hollandse interieurs

Het vertrek is sober ingericht. Een gewitte muur, een plint van tegels, roodbruine plavuizen. Licht valt binnen door een raam met kleine ruitjes. Pieter de Hooch richtte zich volledig op de weergave van interieurs met menselijke figuren. In Londen zijn zijn mooiste werken te zien.

Weinig Nederlandse schilders hebben zo sterk het beeld van de Hollandse netheid bepaald als Pieter de Hooch. Andere schilders hebben andere aspecten van de Nederlandse volksaard vereeuwigd. Frans Hals en Jan Steen verwijzen naar de vrolijkheid, Rembrandt naar trots en ernst, Vermeer en Terborg naar stille concentratie, maar De Hooch geeft iets weer wat in de tijd zelf al zo kenmerkend werd geacht voor dit merkwaardige volk in hun aan het water ontrukte landje: properheid, ordelijkheid en huiselijkheid. Bij De Hooch, althans in zijn beste jaren, is het schoon, stil en overzichtelijk. En hoewel er personages aanwezig zijn, is toch de belangrijkste aanwezige op zijn schilderijen het licht van een zonnige zomerochtend in een schoon en opgeruimd Hollands binnenhuis.

Van Pieter de Hooch (1629-1684) zijn ongeveer 170 schilderijen bekend. Veertig daarvan zijn te zien in de Dulwich Picture Gallery in Zuid-Londen, op de eerste overzichtstentoonstelling die aan zijn werk gewijd is. Ze geven een overzicht van De Hoochs oeuvre, uitgezonderd de laatste periode van zijn leven die te zwak bevonden werd. De Hooch begon zijn carrière in Rotterdam en Delft in het begin van de jaren vijftig niet opzienbarend. Voorstellingen van drinkende herbergbezoekers, kaartende en triktrak spelende soldaten, officieren die zich met dames onderhouden. De wijn, de tabakspijp en de vedel zijn nooit ver weg in deze bruinige, rokerige ruimtes. In thematiek noch uitwerking is dit werk heel bijzonder. Langzaam verschuiven zijn onderwerpen naar het interieur van de kleine burgerij. Huiskamers, sober gemeubileerd met tafels, stoelen en kasten. Aan de wand hangen schilderijen of landkaarten. De Hooch ontwikkelt een voorkeur voor binnenhuistaferelen waar het licht van één kant binnenvalt, waar de architectuur zoals deuren, ramen en meubilair de structuur van de compositie bepalen. Daarbinnen wiegt een moeder haar kind, een werkster schrobt de vloer. Een ander veel voorkomend thema is het binnenplaatsje bij zo'n huis, of een achtererf waar een vrouw de was doet en waar op de achtergrond de torens van Delft verrijzen. Ook andere tekenen van zindelijkheid zijn frequent aanwezig; de meid doet de was, spreidt linnengoed uit, schuurt een koperen kan en menigmaal heeft De Hooch nog ergens een bezem neergelegd. Alsof hij toekomstige iconologen een handje wilde helpen bij hun duiding van huiselijke, vrouwelijke deugden.

Aan het eind van de jaren vijftig, of het nu een langzame ontwikkeling is geweest of een flits van inzicht is niet meer na te gaan, komt De Hoochs meesterschap tot ontwikkeling. Dat zijn schilderijen, waar de schilder als het ware schoon schip maakt en werk produceert dat altijd geliefd is gebleven. De Hooch werkt met strakkere composities en een warmer coloriet. Hij geeft een vertrek weer, waar zich twee of drie figuren bevinden, meestal een moeder met een of twee kleine kinderen. Het vertrek is sober ingericht. Een gewitte muur, een plint van tegels en op de vloer roodbruine plavuizen. De Hoochs composities worden steeds hechter, bijna geometrisch, maar wel een organische, vanzelfsprekende geometrie. Deurstijlen, raamlijsten, drempels, kasten en kisten, ze werken allemaal samen in een subtiel spel van horizontalen en verticalen. Voor degenen die Mondriaan beschouwen als het eind- en hoogtepunt van een lange Nederlandse schilderkunstige traditie waarbij horizontalen en verticalen de constanten zijn, ligt hier bewijsmateriaal voor het opscheppen.

Ruitvormen

Op een tweede geometrisch niveau doen in De Hoochs composities ook ruitvormen mee. Ze komen op allerlei manieren terug, als plavuizen op de vloer, als ruitjes in het venster, als tegels, en ook op een kleed met een wafelmotief dat op verschillende schilderijen, steeds anders geplooid terugkeert, als gordijn en als tafelkleed. De Hooch moet veel geëxperimenteerd hebben om al die ruiten in verschillende vlakken ten opzichte van de kijkrichting juist weer te geven. Dat is niet altijd gelukt, waarschijnlijk omdat de hoek die hij wilde weergeven te groot was. De tegels, plavuizen en klinkers liggen dan niet meer logisch vlak op de vloer, maar lijken te golven.

De weergave van de ruimte stelde De Hooch voor perspectivische opgaven. Hij laat de beschouwer vaak in een volgend vertrek doorkijken en soms nog verder in een daarachter liggende ruimte en een enkele maal nog verder tot aan de straat aan toe. Uit onderzoek blijkt dat hij weloverwogen met verdwijnpunten werkte en dat hij daarvoor lijntjes over het doek spande. De gaatjes van de spelden waarmee die draden vastzaten zijn op enkele schilderijen teruggevonden.

De Hooch was een specialist. Van hem is geen enkel landschap, stilleven of historiestuk bekend. Hij richtte zich volledig op zijn obsessie, de weergave van interieurs met menselijke figuren en later op groepsportretten in een ruimte. Maar de menselijke figuren bij De Hooch hebben meestal een zekere stijfheid, en de interactie tussen personen gaat hem ook niet goed af. In die huiselijke interieurs waren moeders en kinderen zijn favoriete onderwerp. Vooral die kinderen met hun hondje, met hun kolfstok zijn van een grote intimiteit. En wat hem bij volwassenen zelden lukt, weet hij hier wel te bereiken: interactie tussen moeder en kind.

Wat de schilderijen uit de periode 1655-1665 vooral zo weergaloos maakt is de manier waarop de lichtval in die interieurs is weergegeven. Het licht valt binnen door een raam met kleine ruitjes, of door een halfopenstaande deur. Dat licht heeft hem gefascineerd. De Hooch is voortdurend bezig het licht te betrappen. Onophoudelijk volgt hij het naar punten waar het refelecteert. Het stroomt naar binnen door een hoog raam of door een half open deur, het valt in ruitvorm op de vloer, vervolgt zijn weg door een hal of een soort bijkeuken, tast het vlak van een houten deur af en komt dan soms nog gefilterd door de ruitjes in een binnenmuur in het vertrek op de voorgrond. Onderweg glanst het op het glazuur van de plavuizen, het strijkt langs het oppervlak van een schilderij, weerkaatst op de klink van een deur, glanst op een bord van wit aardewerk op de schoorsteenmantel en komt tot rust op een enkele oorbel. Terwijl het oog van de beschouwer steeds verder de architectonische ruimte wordt ingetrokken, dringt het licht juist van achter naar binnen en naar voren.Oog en licht komen elkaar voortdurend tegen.

Over De Hoochs leven is weinig bekend. Hij werd geboren in Rotterdam als zoon van een metselaar. In 1652 vertrok hij naar Delft, een stad waar een aantal schilders werkzaam was dat sterk geïnteresseerd was in de juiste perspectivische weergave van interieurs en stadsgezichten.

Dolhuys

Voor schilders was de wereldstad Amsterdam de plaats waar opdrachtgevers te vinden moesten zijn en in 1660 of 1661 verhuisde De Hooch dan ook hier naartoe, naar de Konijnenstraat in de Jordaan. Hij kreeg opdrachten voor familieportretten, maar zal ook zeker voor de vrije markt zijn blijven werken. Hoe vererend en lucratief dit ook was, hij maakte er niet zijn beste werk. Het is eigenlijk nooit meer goed gekomen. Ergens in de jaren tachtig moet hij zijn opgenomen in het 'dolhuys' waar hij ook is overleden. Hij werd begraven op het Sint Anthonieskerkhof.

De Hoochs thematiek verschuift tijdens zijn leven in sociaal opzicht en waarschijnlijk weerspiegelt dat ook zijn status. Begon hij in Rotterdam met het schilderen van soldaten en morsige personages in de kroeg, in Delft nam hij de kleine burgerij tot onderwerp. In Amsterdam kreeg hij opdrachten van de hogere burgerij. Die lieten zich ook afbeelden in een veel weelderiger omgeving. In interieurs met marmer op de vloer en leerbehang, met oriëntaalse tapijten over de tafel, spelend op een luit of een clavecimbel en koperen kroonluchters aan het plafond. Nog luxueuzer wordt het wanneer hij ze zelfs schildert tegen gefantaseerde ruimtes, waarvan onderdelen ontleend waren aan het meest prestigieuze gebouw van de hele Republiek, het stadhuis van Amsterdam. Hier zijn de marmeren ruimtes hoog en valt het licht door twee rijen ramen boven elkaar naar binnen. De voorname personages die hier rondlopen zijn niet veel meer dan wat onwezenlijke zetstukken. Het wordt drukker en ook lawaaieriger op die schilderijen, zelfs wat protserig, maar kennelijk viel daar geld mee te verdienen.

De Hooch is niet de enige geweest die gefascineerd was door een nauwkeurige, illusionistische weergave van binnenruimtes. Verschillende schilders in Delft hielden zich met dezelfde problematiek bezig. De bekendste van hen is de enkele jaren jongere Johannes Vermeer geweest. Ze moeten elkaars werk hebben gekend. Beiden werkten enkele jaren tegelijkertijd in Delft. Ook Vermeer was gefascineerd door de geometrische harmonie van composities en door de effecten van het licht. Beiden hebben schilderijen met sterk verwante composities gemaakt waarbij niet duidelijk is wie nu aan wie heeft ontleend. Maar waar de Hooch eigenlijk naturalistischer is, dat wil zeggen preciezer in de weergave van de details van de materialen, is Vermeer sterker in het abstraheren, in de suggestie. Hij is atmosferischer.

Spiegel

De Hoochs schilderijen hebben in de vorige eeuw sterk meegewerkt aan het idee dat de Nederlandse schilderkunst opgevat moet worden als een realistische weergave van de zeventiende-eeuwse werkelijkheid. Ze zouden een spiegel zijn van het alledaagse leven. Dat idee is al lang verlaten. Het werd duidelijk dat de voorstellingen een fictieve realiteit met een hoog werkelijkheidsgehalte vormden. Dat laatste was volgens de schaarse eigentijdse opmerkingen ook de bedoeling van de kunst. Zo schreef de zeventiende-eeuwse schilder en kunsttheoreticus Samuel van Hoogstraten 'Want een volmaeckte schildery is als een spiegel van de Natuer, die de dingen, die niet en zijn, doet schijnen te zijn, en op een geoorlofde vermakelijke en prijslijke wijze bedriegt'.

Dat bedrog is ook werkelijk vast te stellen. Pieter de Hooch schilderde bijvoorbeeld binnenplaatsjes in Delft waarbij zowel de torens van het stadhuis als van de Oude en de Nieuwe Kerk te zien waren. In werkelijkheid kunnen die niet zo dicht bij elkaar waargenomen worden. Datzelfde schuiven met de werkelijkheid is ook goed vast te stellen in schilderijen die een verwante compositie hebben. Zo is er een binnenplaatsje dat enkele keren geschilderd is, de ene keer met straatklinkers en een doorkijkje op een straat, de andere keer met klinkers en plavuizen en een doorkijkje op een gracht. Door deze verwante voorstellingen onderling te vergelijken wordt duidelijk hoe De Hooch schoof met vaste onderdelen. Zijn schilderijen zijn in feite vernuftige assemblages.

De tentoonstelling in de Dulwich Picture Gallery laat opkomst en ondergang van een van de meest fascinerende schilders uit de zeventiende eeuw zien. Een vakman die altijd in de schaduw van Vermeer heeft gestaan. Het licht dat in de jaren vijftig en zestig de Delftse en Amsterdamse huizen binnendrong zal onweerstaanbaar beeldbepalend blijven voor iets typisch Nederlands. In zijn latere jaren herinnert een enkel detail op een enkel schilderij nog aan zijn beste werk, toen hij een Hollandse wereld wist op te roepen door het ritme van glazen ruitjes, het patroon van een betegelde vloer, de lichtreflectie op een oorbel.

Pieter de Hooch, tentoonstelling in de Dulwich Picture Gallery in Londen. Tot 15 november. Daarna in het Wadsworth Athenaeum in Hartford (Conn. USA) van 17 december tot 27 februari 1999. De gelijknamige catalogus is geschreven door Peter C. Sutton. Telefonische informatie: 00441816935254.