Nostalgische velden

Hans van der Meer: Hollandse Velden. Met een inleiding van Jan Mulder. De Verbeelding, 88 blz. ƒ 49,50 (na 1 januari 59,50)

Fotograaf Hans van der Meer (1955) laat het liefst de wereld zijn gang gaan. Hij neemt afstand, doet alsof hij er niet is en kijkt wat er gebeurt. Meestal is dat niet veel. De gemiddelde opbrengst is die van een willekeurige blik op een straathoek of uit een raam. Al valt er op zijn foto's dus wel eens een kleine gebeurtenis aan te wijzen dat je het onderwerp kunt noemen, ze is steevast opgenomen in een wirwar van alledaagsheden die er eigenlijk niets mee te maken hebben. Ze mogen meedoen omdat ze er stomtoevallig óók waren. Maar dat betekent niet dat ze ondergeschikt zijn. Want Van der Meers foto's zijn het summum van fotografische democratie: niets of niemand is de baas.

Op die even ruimhartige als onnadrukkelijke manier fotografeerde hij enkele jaren geleden het verkeer in Amsterdam. Het leverde prachtige zoekplaatjes op die vooral lieten zien met welk een bewonderenswaardige onbeholpenheid de moderne mens zich een weg baant door de chaos. Ook viel er te lachen op die foto's, dat spreekt bijna voor zich.

De afgelopen drie jaar richtte Van der Meer zijn camera op de Hollandse voetbalvelden, en het resultaat is opnieuw van uitzonderlijke schoonheid. Hollandse Velden telt tweeënvijftig kleurenfoto's; dat 'voetbal' hoefde er inderdaad niet bij in de titel, want de tijd dat velden nog met bollen werden geassocieerd, ligt achter ons.

Die velden bevinden zich in Amsterdam, Haarlem en Gouda, maar meestal in oorden als Nijswiller, Glanerbrug en Biezenmortel. Haastrecht 3 speelt er tegen Moordrecht 4, Jisp 4 tegen Knollendam 4, De Bocht 80 tegen S.O.S. Aamateurs dus; zaterdagmiddag, zondagochtend, anderhalve man en een paardekop achter hekjes die te laag zijn om tegen te leunen - dat soort plekken, dat soort wedstrijden. Moderne stadsrand-sportcomplexen, zich op de borst kloppende betaald voetbalstadions, laat staan de megalomane Arenas en Akzodromes komen in zijn boek niet voor. Niet alleen hebben ze meer met geld dan met voetbal te maken, ze zijn ook te nieuw om al 'Hollands' te heten; het predikaat impliceert immers een hoge mate van gewoonheid.

Natuurlijk wordt er op de foto's gevoetbald. Er wordt gerend, geschoten en in schoonheid gesneuveld. Er wordt er gesjord, gestruikeld en eindeloos gezocht naar de bal. Maar eigenlijk is het bijzaak of, beter gezegd, is het slechts één van de hoofdzaken. Waar het evengoed om gaat, is het veld zelf en de omgeving daarvan.

De toon wordt gezet in de openingsfoto, van het Limburgse dorpje Partij. Er is het decor van roodbruine bomen tegen de heuvels, een handvol huizen, een boerderij en een slinger van betonplaten, afgezet met paal en ijzerdraad. En ergens daartussen, op de foto niet groter dan mieren, is het tweede van Partij in de slag met het vierde van S.C.K.R.

Weliswaar speelt het voetbal zich op de meeste foto's meer op de voorgrond af, maar telkens is er dat schoteltje van weilanden, duinen en industrieterreinen; van loodsen, fabrieken en schuurtjes; met nieuwbouw, oudbouw en kerken. En met sloten, eindeloos veel sloten, en alle problemen vandien. Het is kortom een kleine visuele sociologie van Nederland in de jaren negentig.

Dat Nederland oogt een beetje ouderwets, alsof het maar niet mee wil met de vooruitgang. Maar dat is slechts schijn. Wat modern en nieuw is schreeuwt nu eenmaal harder, ter compensatie van eenzaamheid en gering formaat. Van der Meers velden zijn de velden (en het voetbal, en het uitzicht) van alledag, en juist daarom zelden opgemerkt.

Het maakt zijn boek aangenaam tegendraads. Net als, 'voetbaltechnisch' gezien, zijn foto's. Want de moderne, geaccepteerde voetbalfoto is een portret, bij voorkeur van iemand met een shirtje over zijn kop. Daar wil Van der Meer niets van weten. Maar vergis u niet, hij ziet het spelletje wel degelijk.

Niet alleen heeft hij aandacht voor de roerende eenzaamheid van de doelman (zelfs de aanwezigheid van vrouw en zoon aan de achterlijn doen daar bitter weinig aan af), hij toont ook een scherp oog voor beslissende momenten. Zoals bewezen wordt door de foto die hij op 16 maart 1996 maakte van de strijd tussen het derde van Oudega tegen het vijfde van O.N.S. Het is een emotionele foto: een Verslagen Verdediger, een Verdediger Die Zijn Ogen Niet Gelooft, een Gelaten Middenvelder. De reden van die droefenis staat aan de rand van het beeld waar twee Blije Aanvallers een triomfantelijke high five opvoeren. Het werd 2-2 die dag, vermeldt de bijlage. Maar ook zonder dat wist je al: er gebeurde daar iets ergs, vlak voor tijd.