Minister Herfkens moet haar eigen post overbodig maken

Dick Bol is econoom en consultant/adviseur en vooral werkzaam in Tanzania, waar hij sinds 1992 verbonden is aan het Economic Research Bureau van de Universiteit van Dar es Salaam.

De bevlogenheid die het ontwikkelingsbeleid van Pronk kenmerkte lijkt onder minister Herfkens plaats te maken voor een zakelijker aanpak. Dick Bol vindt dat de minister moet proberen zichzelf overbodig te maken.

Het is goed dat de nieuwe minister voor Ontwikkelingssamenwerking (OS), Evelien Herfkens, de Tweede Kamer meteen al duidelijk maakt haar voorganger Pronk niet klakkeloos te volgen. Ze wil de Nederlandse hulp wat meer gaan concentreren: 'minder landjes en themaatjes' (NRC Handelsblad 9 september).

Hopelijk is dit een eerste stap naar nog meer breuken met het verleden. Want met alle respect die de uiterst scherpe politicus Jan Pronk verdient, na twaalf jaar op OS had hij toch wel een beter functionerend departement en een kwalitatief rijkere hulp achter mogen laten. Weggaan met de smoes dat met een niet groeiend budget aan OS geen eer meer viel te behalen, getuigt ook niet van een fraai afscheidssignaal.

Hoewel Pronk de ontwikkelingssamenwerking in Nederland lang goed heeft behartigd, door zijn bevlogenheid en geïnformeerdheid, was hij toch in de eerste plaats een politicus en als zodanig veel meer geïnteresseerd in grote politieke vraagstukken overzee (Rwanda, Somalië, Indonesië) en in de Nederlandse politieke tribune dan in de details van de hulp. Om wille van de potentiële politieke invloed wilde hij een relatie met zoveel mogelijk landen, meer dan vijftig, waardoor de hulp versnipperde. Mede daarom is de kwaliteit van die hulp nog steeds niet wat die wezen moet. Het is onzin te suggereren dat de omvang ervan doorslaggevend zou zijn.

Het zwakke management op Buitenlandse Zaken - waar Van Mierlo en zijn voorgangers ook blaam treft - maakt dat een traag en log apparaat nog steeds niet erg effectief haar geld uitgeeft, zich jaarlijks in allerlei bochten wringend om toch maar weer de begrotingsgelden op te krijgen, ook al omdat goede bestedingen in arme landen niet voor het oprapen ligen. De recente reorganisatie - met meer bevoegdheden naar ambassades - heeft daarin vooralsnog geen verbetering gebracht, wel meer onduidelijkheid, omdat ambassades moeilijk te controleren zijn. En de reeks 'speerpunten' (vrouwen, milieu, mensenrechten, goed bestuur) waarmee Pronk thuis goed scoorde, vooral tegenover een nooit echt geïnteresseerd of geïnformeerd parlement, maakte verantwoorde uitgaven van hulpgelden er ook niet makkelijker op. Met al die landen heb je inderdaad een 'beheersprobleem' (Herfkens).

Zo kon het ook gebeuren dat onder de econoom Pronk de hoofddoelstelling van OS - structurele armoedebestrijding - steeds meer ondergesneeuwd raakte door allerlei nevenzaken, en dat economische groei - de kern van elk armoedebeleid - bijna een vies woord werd. Hij moest op een gegeven moment zelfs weer een apart bureau armoedebestrijding in het leven roepen, omdat de rest blijkbaar andere dingen deed of niet gecoördineerd werd.

Geen enkel arm land zit op steeds meer hulp te wachten, ook de 'armsten' niet. Overheden daar dienen in de eerste plaats een economisch verantwoord beleid te voeren, iets waar wij behalve via wat adviezen niet al te veel invloed op hebben. Pas dan kan hulp effectief zijn. Mede dankzij onze vrijgevigheid in het verleden is er veel hulpverslaving opgetreden, vooral in Afrika, waarbij slechte overheden altijd wel weer op ons konden rekenen om hun falen te verdoezelen. Geen wonder dat serieuze Afrikanen die hulpafhankelijkheid liefst zo snel mogelijk zien verminderen. Dan zijn ze meteen van onze storende culturele inmenging af.

Voorlopig blijft hulp nog nodig, al was het alleen maar om de schulden af te lossen die ook door ons toedoen in het verleden zijn opgebouwd. Maar dat mag best een onsje minder, meer gericht op eigen plannen ter plaatse, meer omgeven door goed beleid en minder door verstorende, naïeve bedoelingen die van zo weinig historisch en cultureel relativisme getuigen.

Veel goede zaken in de Derde Wereld kosten geen of weinig geld: niet bij elk conflict meteen naar de wapens grijpen, niet langer frustreren van het eigen particulier initiatief door overheden, strenger optreden tegen corrupte politici en ambtenaren, minder verspillen van water en elektra, betere wetgeving en naleving daarvan etc. Dat levert eerder meer eigen inkomsten op, evenals het nu eens serieus belastingen innen. Allemaal zaken waar wij met onze bemoeienis of hulpgelden niet of nauwelijks aan te pas hoeven of kunnen komen.

Wij kunnen de kwaliteit van onze hulp verbeteren door beter en selectiever op dat goede beleid overzee aan te sluiten en door zelf veel simpeler te opereren. Minder doen zou ons sieren en de andere kant dwingen zelf meer te doen. Laat ze met betere plannen komen, voor een reeks van jaren tegelijk, en bouw simpele meetpunten in om de effectiviteit daarvan en van onze bijdrage daaraan af en toe te toetsen. Meen niet overal steeds op te moeten reageren en kom vooral niet steeds met nieuwe Nederlandse prioriteiten aanzetten. Liever minder landen, minder sectoren, minder eigen prioriteiten, minder nota's, minder toetsen en meetpunten. Een aantal van 25 hulplanden - vooral in Afrika - is meer dan genoeg. China hoort daar inderdaad niet bij.

De harde kern van economische ontwikkeling vraagt veel meer voorrang, en dat betekent vooral aandacht voor verhoogde landbouwopbrengsten en arbeidsproductiviteit, werkgelegenheid, effectieve kredietverlening, exportbevordering, infrastructuur (wegen) die (rurale) markten beter doet functioneren, en goed landbouw- en economisch onderzoek.

Minder armoede leidt vanzelf tot het afslijpen van de scherpe kantjes van een armoedecultuur, al is steun aan goed (toegankelijk) onderwijs en gezondheidszorg daarbij nooit weg. Die zorgen ook voor betere kansen voor iedereen, waarbij tegenwoordig groei van inkomens en de verdeling daarvan elkaar veel minder (hoeven te) bijten dan dat bij ons vroeger het geval was.

Het is te hopen dat de nieuwe minister voor OS ook wat meer aandacht aan haar eigen toko zal besteden. Dat is ook te verwachten van een ex-ambtenaar van Buitenlandse Zaken (DGIS), al is ze daarbij sterk aangewezen op Van Aartsen, haar collega op Buitenlandse Zaken. Aan 'goed bestuur', een aspect in arme landen waaraan ze veel aandacht wil geven, valt op haar ministerie ook nog veel te doen. Misschien zou het McKinsey-rapport van vorig jaar over een beter personeelsbeleid - onder Van Mierlo en Pronk weggemoffeld - ook weer eens uit de kast kunnen worden gehaald. Want het hele systeem van bevorderingen en roulaties is dringend aan herziening (en objectivering) toe. Kwaliteit van hulp heeft veel te maken met kwaliteit van ambtenaren. Er zijn er te veel te snel bevorderd en te weinig ooit gedegradeerd of weggestuurd.

Herfkens zou de laatste minister voor OS moeten zijn, want de hulp moet op termijn worden afgebouwd. Als ze daar nu al lijnen voor uitzet en flink saneert, kan de minister straks worden opgevolgd door een staatssecretaris. Dan zijn we weer terug bij af, omdat OS ooit officieel met een staatssecretaris begon (Bot in 1965). Dat zou mooi parallel lopen met het denken over OS, waarin steeds meer afstand genomen wordt van de maakbaarheidswaan en cultureel imperialisme. In plaats daarvan is steun nodig voor de publieke infrastructuur om zo particuliere investeringen aan te wakkeren. Pronk was daar nog vies van. Blijkbaar vond hij het niet spectaculair genoeg voor de Nederlandse tribune.

De enige nota-Herfkens die nog de moeite waard zal zijn, is 'Een wereld in evenwicht', waarin precies staat aangegeven hoe OS zich binnen vijftien tot twintig jaar overbodig maakt, dankzij steeds meer inspanningen van arme overheden zelf. Zeventig jaar OS moet genoeg zijn.