Luchtrijm

Onlangs hoorde ik het weer. 's Avonds op straat, in het voorbijgaan, uit de mond van een fietser die in een merkbaar goede stemming onderweg was ergens naar toe en het zichzelf toezong: 'Joke - stop toch met koken', met enig volume gebracht, en een beetje lallerig van dictie.

Hij zong alleen die ene zin, maar wie hem herkent vult in gedachten vanzelf de rest aan.

'Joke - stop toch met koken', dat was het begin van een liedje waarin vriendin Joke gesommeerd werd de keuken te verlaten om samen met de zanger iets anders te gaan doen. Uitvoerende artiesten: De Leidse Sleutelgaten, datering: begin jaren tachtig. Op 'Joke stop toch met koken' volgde geloof ik 'kom uit de keuken, mijn lieve Joke' en 'mijn lieve Joke, kom uit de keuken', of iets vergelijkbaars. Nietszeggende herhalingen, maar daar ging het nu ook juist om. Het was de bedoeling van de zanger de rijmwoorden Joke, koken en keuken er bij de luisteraar in te stampen, ter voorbereiding op zijn clou. Die liet niet lang op zich wachten, want in snelle zegzang deed hij Joke vervolgens een voorstel: 'en dan gaan we lekker samen neu-'. Bij die lettergreep hield hij even in, om Joke en de luisteraar te laten nadenken over de vraag: welk woord begint met neu- en rijmt op keuken? Om daarna, humor, snel te vervolgen met '(zullen we lekker samen) neutronenbommenstickers op mijn nieuwe tas gaan plakken'. Ritmisch en rijmend liep dat natuurlijk helemaal niet lekker, maar dat gaf niet: voor de winst van een grap moet een dichter elders, in de vorm, wel eens een kleine nederlaag op de koop toe nemen.

Van de rest van het lied herinner ik me niks. Het was ook een vervelend liedje, dat alleen maar bleef hangen vanwege die riedel met dat rijm - of liever: die riedel met dat uitblijvende rijm. Keuken - neutronenbommenstickers: of er een naam voor dit type rijm bestaat, weet ik niet. Spreken wij voor deze gelegenheid van een luchtrijm: het rijm dat nadrukkelijk in de lucht hangt en als het ware door iedereen wordt gehoord, maar onuitgesproken blijft.

In zijn nieuwste bundel, Aambeeld, nam J. Bernlef een gedicht over Philip Larkin op. Het is een portret van de dichter, naar aanleiding van een bezoek aan de stad waar hij een groot deel van zijn leven woonde en werkte: Hull. Het gedicht is niet erg sterk, eerlijk gezegd. Het is wat proza¨isch van inslag, met wat anekdotiek en enkele essayistische opmerkingen die tezamen een weinig sprekend portret van 'de kluizenaar van Hull' geven. Maar dat heb je wel vaker bij gedichten van dichters over collega's: voor wie het werk van de geportretteerde kent is het al gauw te willekeurig, en voor de buitenstaander al gauw te nietszeggend. Maar de beginregels zijn intrigerend, om allerlei redenen: Niemand wist beter dan hij wat er rijmde op Hull Zo'n formulering heeft strikt genomen altijd iets hoogmoedigs - en iets paradoxaals. Hoe kan iemand (Bernlef) weten dat niemand iets beter wist dan Larkin? Dat suggereert dat hij zelf in de superieure positie is om dat te beoordelen, maar als dat zo is, dan klopt zijn bewering dus niet meer. Zo strikt zullen we het wel niet hoeven te lezen, maar toch gaat er iets samenzweerderigs van uit. Het is een opmerking voor ingewijden, voor intimi die net als de beide dichters wel weten wat er rijmde op Hull, zodat het antwoord op die vraag onder ons kan blijven.

De leek voelt zich buitengesloten - of voelt zich er juist door uitgedaagd om zelf het blijkbaar voor de hand liggende rijmwoord te verzinnen. Het zal wel aan mij liggen, of aan de neutronenbommenstickers die nog in mijn hoofd zaten, maar ik zag meteen dat er alleen maar een woord van drie letters dat begint en eindigt met een l op Hull kon rijmen. Dat paste ook wel bij Larkin, die voor het gebruik van functioneel Bargoens in zijn eigen po¨ezie niet terugschrok.Het leek me dan ook dat Bernlef aldus mooi een vies woord had vermeden, maar het intussen wel in de lucht had laten hangen. Luchtrijm dus. Hier ook nog eens goed te verdedigen omdat op een Engels woord een Nederlands rijm volgde - dat Larkin zelf natuurlijk niet gekend, laat staan geschreven kon hebben. En wat er ook aardig aan was: de ironie dat dit luchtrijm nu juist het begin vormde van een gedicht over een dichter die zelf keurig rijmde, zoals Bernlef verderop zegt, nog steeds in niet-rijmende regels: Niemand wist beter dan hij hoe men storm tot stilte moet mennenMet gedempte rijmen in strak beteugelde taal.

Een mooi dubbelzinnig en functioneel geval van luchtrijm dus, dacht ik - om me pas daarna betrapt te voelen als de liefhebber van vieze woorden die maar aan ´e´en ding denken kan. De ideale lezer had vermoedelijk meteen al gezien dat het meest voor de hand liggende rijmwoord op Hull hier alleen maar dull kon zijn. Engels voor saai, vervelend, oninteressant, duf, sloom, druilerig - en dat alles was Hull bij uitstek, zeker in de beleving van de dichter.

Waarom Larkin dan toch zijn hele leven in dat lullige Hull bleef hangen? Omdat niemand beter wist dan hij dat in het leven ´alles rijmde op Hull. Zo gelezen vormen die twee regels van Bernlef alsnog een mooie samenvatting van Larkins leven en werk. Een essay in twee regels: het leven is dull, niet alleen in Hull. De goede verstaander heeft aan een half woord genoeg - in dit geval: aan een half rijm.