Klein boekje, grote ideeën

Martin Bril: Etalagebenen. Amsterdamse miniaturen. Prometheus, 201 blz. ƒ 29,90

Martin Bril zag ik eens met een rockband optreden: de onberispelijk geklede schrijver las zijn verhalen voor terwijl de gitaren er doorheen gierden. Dat was een vergissing: Brils proza heeft geen muzikale begeleiding nodig, het heeft van zichzelf al een dwingende cadans. Luister bijvoorbeeld eens hier naar: 'Altijd speciaal. Eerst niks, dan sirenes in de verte die jouw kant opkomen, heerlijk gevoel. Vervolgens de eerste ladderwagen die het beeld binnen boldert. Dreigt even om te slaan in de bocht, hoort erbij. Adembenemend gezicht. De mannen die uit de deuren vallen. Helmen op. Slangen die worden uitgerold. Het opgewonden schetteren van de mobilofoon. Het eerste water dat zich exploderend een weg baant door de nog platte slangen. Bam, daar is het. Spuiten maar. Nog meer brandweerwagens, nog meer mannen, steeds meer rook. Brandbestrijding in volle vlucht. Het gaat zo snel dat het een wonder mag heten dat af en toe nog eens iets helemaal uitbrandt.'

Dit is een fragment uit 'Brand', een van de columns die Martin Bril (1959) het afgelopen jaar dagelijks voor Het Parool schreef. Dit voorjaar werden er al enkele gebundeld in Het tekort, samen met verhalen en interviews. Nu is er dan Etalagebenen, waarin 66 columns bijeengebracht zijn. Hoewel, het zijn niet zozeer columns, waarin een maatschappelijk standpunt wordt uitgedragen, als wel 'cursiefjes' of 'miniaturen', in de geest van zijn voorgangers Carmiggelt en Meijer: scènes uit het dagelijkse stadsleven.

Op het eerste gezicht hebben deze miniaturen niet veel met elkaar gemeen, behalve dat de plaats van handeling vaak dezelfde stad is. Bril schrijft over de hoofdpersonen in de rechtszaken tegen de Hakkelaar en Etienne Urka, over de schaatster Marianne Timmer, zijn dochter, Bob van broodjeszaak Het Balkje en een stoet van naamloze mannen en vrouwen. Toch is er eenheid in deze verscheidenheid, door Brils manier van observeren en de stijl waarmee hij daaraan uitdrukking geeft. Hij schrijft: 'Er passeerde een meisje met blauw haar en een ring in haar neus. Ze keek er kwaad bij.' Of: 'Thom Hoffman maakte achter zijn krant een notitie in zo'n klein boekje waaraan je ziet dat er alleen grote ideeën in worden opgeschreven.' Als hij mensen laat praten maakt dat een levensechte indruk, alsof het letterlijk zo op straat gezegd werd. Natuurlijk heeft de auteur lang moeten schaven om de dialoog zo kernachtig te krijgen als in 'Bob': 'Hoe lang ben je weggeweest Bob?' 'Twee weken.' 'Jezus man, twee weken!' 'Twee weken, ja.' 'Valt nog mee eigenlijk.' 'Ooh ja? Nou, ik ben blij dat ik terug ben.'

Het zijn meestal gesprekken die over niks gaan, mensen die langs elkaar heen praten. Bril verkeert wel vaker in het gebied waar bijna niks is, waar mensen of dingen in stilstand verkeren, situaties waar we normaal gesproken aan voorbijgaan. Zo is hij gefascineerd door een accu die bij hem in de straat ligt, bij uitstek een voorwerp dat 'geen verhaal (wil) worden'. Hij gaat op een bankje naar de accu zitten kijken, en daarbij schieten zijn gedachten tekort: 'Ik keek naar de accu en zijn vijf rode doppen, wel een halfuur. Soms wil je gewoon dat er iets door je heen gaat. Dat gebeurde niet.' Dit is de kern van Brils schrijven: de aandacht voor, zoals hij elders schrijft, een 'tafereel om langdurig bij halt te houden, ook al was er niets te zien.' Het gaat hem niet om de hogere betekenis van de dingen, maar om het waarnemen van de dingen zelf. 'Het leven was een kwestie van aanwezigheid', luidt niet voor niets de laatste zin van de bundel.

Naast Thom Hoffman krijgt ook de schrijvende 'herenboer' A.F.Th. van der Heijden er een paar keer flink van langs. Het past niet echt in de bundel, zo'n persoonlijke aanval, en je kunt je afvragen wat zijn motief is. Daar kom je niet achter, want Bril blijft in zijn miniaturen buiten beeld; dat probeert hij althans door te doen alsof hij alleen registreert. Toch krijg je door de manier waarop hij dat doet wel een idee van wat Bril bezielt: het verlangen om door nauwkeurig kijken het menselijk gedrag te doorgronden. Zo ontzenuwt hij in veel gevallen zijn eigen gevoelens van onverdraagzaamheid, die zo gemakkelijk gedijen in de grote stad.

Grappig zijn de momenten waarop zijn schaduw over het beeld valt, als hij betrapt wordt wanneer hij weer eens staat te kijken of te luisteren: mensen schelden hem uit voor 'gek', 'klootzak' of 'grote motherfucker'.

Het is duidelijk dat de stad van Carmiggelt, met zijn gemoedelijke gesprekken van oude mannetjes aan de toog, allang niet meer die van Bril is. Bij Bril blijkt ook weinig liefde voor Mokum, als hij schrijft: 'Wie een week niet in de stad is geweest, staat bij terugkomst altijd weer te kijken van de botte vrijpostigheid die hier op straat heerst, het vanzelfsprekende gebrek aan manieren dat doorgaat voor tolerantie.'