Joden in de west

Henny E. Coomans en Maritza Coomans-Eustatia (red.): A.M. Chumaceiro Az. Praktizijn - journalist - publicist. Onpartijdig pionier op Curaçao. Stichting Libri Antilliani, 608 blz. ƒ 75

Het Nederlandse kolonialisme in de Caraïben is onlosmakelijk verbondenmet de joodse geschiedenis in de Nieuwe Wereld. Net als Spanje, Engelanden Frankrijk bevolkten de Nederlanders hun koloniën met grote aantallenAfrikaanse slaven. Maar anders dan deze concurrenten konden de Nederlanders weinig landgenoten naar de West trekken.

In Nederland zelf, en anders wel in Oost-Indië, zag men kennelijk betere kansen. Vandaar dat een ruimhartig toelatingsbeleid werd gevoerd voor andere Europeanen: Duitsers, Fransen, Britten, Scandinaviërs, maar vooral joden, aanvankelijk vluchtelingen uit Spanje en Portugal, later ook uit Oost-Europa. Langs allerlei routes (direct, via Brazilië, via Nederland) kwamen zij naar de Nederlandse Caraïben. In de periode van de slavernij maakten joden zowel in Curaçao als in Suriname één- tot zelfs tweederde deel van de totale blanke bevolking uit. In beide koloniën behoorde de joodse groep bij uitstek tot blijvers, terwijl andere Europeanen de neiging hadden te repatriëren zodra zij enig fortuin hadden gemaakt of het gewoon beu waren.

Op Curaçao speelt de joodse groep nog steeds een belangrijke rol in de lokale samenleving. In Suriname verschrompelde de blanke bevolking echter gedurende de twintigste eeuw, en daarmee ook de joodse gemeente. Hoewel zij in die Nederlandse kolonie naar de normen van die tijd zowel in religieuze als economische zin veel vrijheid genoten, werden de joden toch regelmatig met antisemitisme geconfronteerd. Verwijten van een tekort aan loyaliteit aan het 'vaderland' werden snel gemaakt.

Zich bewust van de kwetsbaarheid van hun positie waakten de joodse kolonisten over op hun imago. In die context publiceerde David Cohen de Nassy in 1788 een Essai historique sur la Colonie de Surinam, waarin hij de ontwikkeling van de kolonie en vooral ook de nuttige rol van de joden daarin beschreef. Ruim een eeuw later schreef een joodse immigrant in Curaçao, Abraham Mendes de Chumaceiro, een pamflet onder de intrigerende titel Zal het kiesrecht Curaçao tot het kannibalisme voeren?' (1895). Net als Nassy vóór hem verdedigde Chumaceiro de joodse gemeente tegen beschuldigigen van onvoldoende vaderlandsliefde.

Het pamflet was gericht tegen een zekere Hamelberg, spreekbuis van de rivaliserende protestantse elite, die voorstellen tot invoering van een beperkt census-kiesrecht had afgewezen met het argument dat dan de welvarendejoodse groep het voor het zeggen zou krijgen. 'Een groot gevaar', hadHamelberg betoogd, want de joden dachten slechts aan hun handelsbelangenen waren bovendien 'noch door banden des bloeds, der historie of traditie aan het moederland verbonden'.

Uiteraard bestreed Chumaceiro deze aantijgingen, precies zo als Nassy vóór hem dat had gedaan. Interessant is echter dat hij ook de Afro-Curaçaose meerderheid tegen deze Hamelberg in bescherming neemt. Zo mogelijk nog gevaarlijker dan een hoge census achtte deze namelijk een lage census. Dan zouden immers de deuren worden opengezet voor een zwarte machtsovername. De geschiedenis van Haïti, waar na de geslaagde slavenrevolutie 'afgodendienst en menschenoffers, dierlijkheid en kannibalisme' weer volop werden gepraktiseerd, maakte duidelijk waar Curaçao dan zou eindigen.

Chumaceiro bestrijdt deze redenering argumenterend en ook ironiserend: 'Hoe menig Nederlander zal niet reeds gedroomd hebben, dat hij de hoofdschotel van een smulpartij van die kannibaalsche Afrikanen uitmaakt. Neen, van schotels zal er wel geen sprake zijn, men zal eenvoudig in stukken gesneden en uit de hand opgepeuzeld worden. Geen Hollander blijft over.' Zijn conclusie luidt geheel anders: sinds de afschaffing van de slavernij (1863) is de Afro-Curaçaose bevolking enorm vooruitgegaan, en die emancipatie zal nog veel verder reiken. Een onorthodox standpunt in het koloniale Curaçao, waar Hamelberg in zijn pamflet concludeerde dat het 't beste was niemand kiesrecht te geven en alles aan Nederland over te laten.

Deze polemiek was Chumaceiro's laatste pamflet. Eerder had hij al diverse andere stukken gepubliceerd, waarvan het bijtende Is Curaçao te koop (1879) en Een ernstig woord over een ernstig onderwerp (1884) vermelding verdienen. Eerstgenoemd pamflet is een bittere aanklacht tegen ook toen al geventileerde Nederlandse gedachten om die lastige eilanden in de Caraïbische zee zo snel mogelijk van de hand te doen. Een ernstig woord over een ernstig onderwerp is een verhandeling over het deplorabele onderwijs op Curaçao. Het is onthutsend om vandaag, na nog eens zeventig jaar kolonialisme en vervolgens vijfenveertig jaar Antilliaanse autonomie, te moeten vaststellen dat zijn conclusies nog steeds in ieder rapport over het onderwijs op Curaçao worden herhaald.

Coomans en Coomans-Eustatia hebben nu Chumaceiro's gehele oeuvre, met uitzondering van krantenartikelen, bijeengebracht en herdrukt, voorafgegaan door een zevental interessante, zij het elkaar overlappende inleidingen over de auteur en zijn tijd. Met hun streven naar volledigheid bewijzen zij de auteur niet in alle opzichten een dienst. Veel van zijn overige werk blijkt de tand des tijds niet te hebben doorstaan. Bovendien hebben de samenstellers ook nog eens twee verbatim vertalingen (één in het Spaans, één in het Papiaments) van Chumaceiro's Nederlandstalige originelen opgenomen. Dat is wat teveel van het goede.

Toch is deze bundel een mooie en nuttige bijdrage aan de Antilliaanse geschiedschrijving. Actualiteitswaarde heeft de bundel ook. Coomans-Eustatia stelt Chumaceiro aan de hedendaagse Curaçaose samenleving ten voorbeeld. Hij beargumenteerde, sneed heikele onderwerpen aan in plaats van ze toe te dekken. Een voorbeeld voor 'onze eilanden', schrijft zij, waar zij nu 'meer geschreeuw dan enige vorm van publieke discussie' ontwaart. Dat moet anders, is de moraal. Chumaceiro wees een eeuw geleden al de weg.