Ik kan het! Ik doe het!

Krijg je zwetende handen als je een repetitie moet maken? Kun je niet meer denken als je iets moeilijk vindt? Sta je maar wat te stotteren en haspelen en val je helemaal uit als je een spreekbeurt moet houden?

Dan lijd je aan faalangst. Faalangst heb je als je iets spannends moet doen en dan meer last hebt van jezelf dan van wat je moet doen. Bijvoorbeeld: muziek maken op de voorstelling van de muziekschool is spannend, maar als je optreden mislukt door trillende en zwetende vingers dan heb je meer last van jezelf dan van de moeilijke muziek en van alle mensen die naar je kijken.

Toch blijven alle repetities waar je een cijfer voor krijgt, en wedstrijden die je kunt winnen of verliezen, of voorstellingen waarbij iedereen op je let altijd spannend. Dat moet ook. Want spanning in je lichaam is er eigenlijk voor om je beter te laten presteren. Je lichaam maakt dan moleculen waardoor je reactievermogen verbetert. Je wordt er ook wakkerder en scherper van. Maar als een spannende situatie altijd verkeerd afloopt wil je lichaam helemaal niet meer dat het spannend wordt en verlamt het zichzelf. Je begint dan te trillen, kunt niet meer lekker ademhalen en niet helder meer denken. De spanning heeft dan geen nut meer en je hebt faalangst.

Hoe je aan faalangst komt weten de psychologen en pedagogen niet precies, maar ze denken dat je het vooral van je ouders leert. Als die superkritisch zijn en je uitfoeteren als je iets fout doet, of als ze eigenlijk alles maar dom en belachelijk vinden wat je probeert te doen, als ze je niet helpen als je onzeker bent, dan werken je ouders er flink aan mee om je faalangst te bezorgen. Het kan trouwens best dat faalangst niet alleen van je ouders komt. Ook leraren of trainers op een sportclub, of muziekleraren kunnen je een faalangstcomplex bezorgen. En als je geen leuke vriendjes hebt en het op school ook niet goed gaat kan de faalangst helemaal toeslaan.

Het kan ook anders. Ouders die minder letten op wat er fout gaat maar juist 'mooi zo!' en 'goed gedaan!' zeggen tegen hun kind als het goed gaat, die krijgen geen faalangstige maar gemotiveerde kinderen. Faalangst krijg je ook niet als je ouders je helpen als je onzeker bent. Bijvoorbeeld als je een spreekbeurt moet houden en je weet niet waarover, dan is het handig als je ouders er met je over praten. En als je niet weet waar je informatie over je spreekbeurtonderwerp vandaan moet halen, is het goed als je ouders zeggen: kijk eerst eens op Internet en als je daar niks vindt ga dan in de bibliotheek zoeken. En praten over wat je van plan bent te gaan zeggen en wat je van het onderwerp vindt helpt ook. Dan wordt het leuk om ergens mee bezig te zijn en lukt de spreekbeurt ook beter.

Maar ouders moeten ook van ophouden weten. Je hebt er weinig aan als ze niet alleen zeggen dat je boeken uit de bibliotheek nodig hebt maar de boeken ook nog voor je ophalen en zelf gaan lezen. En ouders die Internetsites voor je opzoeken en gaan printen en vast wat tekst voor je typen en zeggen dat je dat maar moet voorlezen bij je spreekbeurt, die zijn ook slecht tegen faalangst. En als ze je dan nog je spreekbeurt eerst een keer thuis laten houden, er stevige kritiek op hebben, zeggen dat je niet genoeg hebt gedaan en willen dat je allerlei dingen zegt die je niet eens weet, dan zijn ze bezig om je faalangst te bezorgen.

Op veel scholen letten de leraren op of er in de brugklassen kinderen met faalangst zitten. Het is erg jammer als je onvoldoendes haalt voor repetities door faalangst, terwijl je alles wat wordt gevraagd eigenlijk wel weet. Op veel scholen worden cursussen tegen faalangst gegeven. Daar leer je meer vertrouwen in jezelf te hebben, en ook om nieuwe en spannende dingen goed voor te bereiden zodat je ze makkelijker en gewoner gaat vinden. En je leert er ook om nieuwe dingen te durven. Bijvoorbeeld door in je zelf te zeggen: “Ik kan het! Ik wil het! Ik dóe het!” Dat lijkt op een tsjakka! uitroep, maar dat is het alleen als je het hardop roept voordat je aan je spreekbeurt begint. Dit is de laatste Medicijnman. In maart komt bij uitgeverij Leopold een boek uit met de 70 verschenen afleveringen.