Ik bied het oog geen houvast: Alphons Freijmuth over zijn relativerende schilderkunst

'Tegengestelde harmonie' zoekt Alphonse Freijmuth in zijn schilderijen,waarin 'de figuratie moet botsen met de geometrie'. Zijn werk is te zien in het Cobra Museum in Amstelveen. “Dat Nederland Victory Boogie Woogie heeft aangekocht stemt me hoopvol.”

“Ik ben geen woordenman”, zegt de schilder. Praten gaat hem slecht af. Vooral dat praten over beeldende kunst - laat staan het praten over zijn eigen schilderijen. Dat heeft iets beschamends, vindt hij. Maar nu er bij dit vraaggesprek niets anders op zit, moeten we het maar meteen over die aankoop van Piet Mondriaan hebben. Nou ja, 'we'; de schilder ziet meer in een monoloog. Hij heeft in deze kwestie namelijk het gelijk aan zijn kant, en mocht daaraan getwijfeld worden, dan trekt hij van leer met de stelligheid van een lijsttrekker op verkiezingscampagne.

De Amsterdamse schilder Alphons Freijmuth neemt het woord, en, net als Ischa Meijer, had hij maar al te graag het bevel gegeven: 'Schrijf op!'

“Die aankoop van die Victory Boogie Woogie is prachtig, prachtig en nog eens prachtig, en die mijnheer Boll van de Vereniging Rembrandt is werkelijk een dapper man. Dat er zo'n machtige groep mensen bestaat, zo'n bovenlaag van doorzetters die zo'n doek kan verwerven - het stemt me allemaal zó hoopvol. Want je moet er toch niet aan denken dat de grootste gemene deler bepaalt of zo'n aankoop doorgaat. Uit een algemene smaak is nog nooit iets bijzonders voortgekomen.

“Mondriaan is een van de grootste vernieuwers van deze eeuw. Hij heeft in zijn eentje, kijk maar naar zijn landschappen, die hele Haagse School verslagen. Niet alleen zijn composities wist hij helder en hard te stellen, ook zijn luchten waren veel beter. Daarom is het zo goed dat in het Haags Gemeentemuseum dat grote hiaat in zijn oeuvre, die laatste fase, voorgoed is opgevuld.

“Dat de moderne kunst en dus ook Mondriaan in brede kring nog niet wordt begrepen, lijkt me vanzelfsprekend. Aan de abstractie in de schilderkunst zijn vele eeuwen van figuratie voorafgegaan. Mondriaan is pas vijftig jaar dood. Zijn werk wordt nog zwaar onderschat en zijn invloed is nog lang niet te overzien. Jonge kunstenaars doen er goed aan veel meer naar die oude modernen te kijken. Daar is veel van te leren.

“Ja, de prijs van dat doek was hoog, dat is zeker. Maar wat kunst betekent laat zich nu eenmaal niet in geld uitdrukken. En zo'n miljoenenbedrag is bovendien niets vergeleken met de geestelijke waarde ervan. Of moet dat geld besteed worden aan meer van die truttige, gekleurde paaltjes in de Amsterdamse binnenstad, of aan de zoveelste F16?”

Freijmuth houdt zijn betoog in het lege restaurant van het Cobra Museum in Amstelveen. Hij kan nog wel even doorgaan met Mondriaan, maar we zouden het over iets heel anders hebben. Een etage hoger hangen en staan namelijk zo'n honderdtwintig van zijn werken, vanaf 1965 tot nu: schilderijen uit de laatste dertig jaar, houten en bronzen en keramische beelden van de laatste vijftien jaar en ook nog een beknopt overzicht van zijn etsen.

Drinkwater

Vooral als hij zijn recente houten totems ter sprake brengt, klinkt er tevredenheid door in zijn stem: “In Frankrijk sta ik soms in trance van vroeg tot laat te hakken, alleen maar hakken, samen met een paar liter drinkwater. Het gaat er dan hard aan toe, laat ik zeggen een boom per dag.” Bomen die door schuine bijlmeppen nu als kolossale, verticale kralensnoeren in het museum staan opgesteld. Nee, Freijmuth zal je dankzij dat hakken niet aan een overdosis stress zien lijden.

Het mag dan museaal nogal stil zijn geworden rond deze schilder van de Nieuwe Figuratie, zoals die niet echt bestaande groep uit de jaren zestig gemakshalve wordt aangeduid, het werk is gewoon voortgegaan. “Ik geef namelijk nooit iets op”, zou hij later monter mededelen, staand voor een van zijn doeken die onder een dikke bruin-rode verflaag gebukt gaat.

Freijmuth oogt als een basketbalspeler op leeftijd; lang, slank, beweeglijk en jonger dan 58 jaar. Voortdurend houdt hij zijn lichtblauwe ogen op zijn gesprekspartner gericht, alsof die volhardende blik garant staat voor een karakterologische ontmanteling. Of de toeschouwer dit of dat doek mooi vindt, laat hem koud. Hij kan het gemakkelijk zonder een bevestiging stellen - of hij acteert het, dat kan ook.

Onderwerpen om te schilderen waren er altijd in overvloed, vertelt het overzicht in Amstelveen. Een bosje fresia's, het fallische hoofd van Peggy Lee, een Popeye-scène, fotorealistisch afval en een Saroma-roze 'naakt naar Bonnard'. De thema's lijken ondergeschikt aan het plezier van het afbeelden. 'Relativerende schilderkunst' noemde men dat destijds, van een generatie die 'cool' met 'nieuwe fenomenen als supermarkets en ruimtevaart omgaat en daar met ironische understatements op reageert'.

Maar, zoals zo vaak, staan dat soort kunsthistorische op- en samenvattingen, vermeld in de net verschenen monografie van Freijmuth, haaks op de waarachtige belevingen van de kunstenaar. Freijmuth had het in die tijd al over het 'lyrisch sentimentele' gevoel dat hij wilde uitdrukken. En nog steeds, zo zegt hij, is zijn gevoel zijn kompas, en is het ook de onmacht om met een assortiment aan emoties om te gaan, waardoor hij schildert.

Na die verkenningen van Popeye tot Vincent van Gogh, heeft Freijmuth in de jaren zeventig en tachtig nogal wat curieuze interieurs weergegeven. Daarin houden zich meer of minder geklede vrouwen op. Hoe diep de relatie met hen ging, blijft duister. Sterker nog, de schilder leidt onze aandacht behendig weg van die intimiteit - naar planten op bijzettafeltjes, naar bloemetjesbehang en wastafelhoekjes. Hij durft midden in het doek zelfs alleen maar zo'n zwarte, vertrouwde Gispen-bureaustoel neer te zetten, terwijl de spiegel die er tegenover hangt, met de contouren van een varkenskarbonade, eerder aan een overbodige vlek doet denken.

Nee, Freijmuths binnenhuizen zijn helemaal geen verblijfplaatsen. Maar dat dringt pas later tot de toeschouwer door. Al die lijnen en vlakken doen maar alsof er in te wonen valt. In feite vormen ze abstracte composities, waarin soms bij wijze van kunsthistorisch raadsel een schuchter naakt van Bonnard in herinnering wordt gebracht of waarin het drukke oude-Franse-hotelkamertjesbehang even de genoeglijke, huiselijke drukte van Matisse aan de orde stelt.

“Ik blijf een expressionist die constructivistisch interpreteert”, zegt Freijmuth. “En ik spreek een brede taal, waarbij woorden tekortschieten.” Maar van zo'n toelichting - de schilder had het zelf al voorspeld - wordt niemand wijzer. Dan maar liever kijken naar het concrete oppervlak, naar die aangenaam nonchalante penseelvoering, naar de pseudo-platte weergave, de impulsiviteit, die bij de Cobra-schilders zo ten onrechte kinderlijke eerlijkheid suggereert, en naar de verf zelf, die bij Freijmuth iets lekkers krijgt, alsof er een soort smeerlust aan ten grondslag ligt. “En toch riskeer ik na al die jaren nog steeds dat een doek zo dichtgesmeerd raakt als een poetsbak”, constateert de schilder terloops.

Soms doen zijn heftige kleurcombinaties afbreuk aan de inhoudelijke ernst van een tafereel. Wat bijvoorbeeld een onthullend zelfportret als meesterversierder moest zijn, waarbij een heerschap zichzelf parmantig tussen twee welwillende naakten ophoudt, lijkt op een bonte, diplomatieke ontvangst - een grapje hier, een krampje daar.

“Ik wilde altijd al plaatjes maken”, vertelt Freijmuth. “Niet om het realisme, maar om de uitdaging. Want hoe til je een stom plaatje over een plaatje heen? Om dat te bereiken relativeer ik de plek die ik schilder. Buiten mag binnen zijn, en omgekeerd. Ik goochel met voor- en achtergrond, met boven, onder, achter en voor. Noem het de tegengestelde harmonie, waarbij de figuratie moet botsen met de geometrie. Ik bied het oog geen houvast, maar zoveel mogelijk contrasten.

“Mijn composities ontstaan al schilderend en als het doek klaar is, moet er geen fragment weggelaten kunnen worden. In deze tijd mag dan het concept de overhand hebben gekregen, ik ben ervan overtuigd dat er in de wijze van schilderen nog genoeg is uit te drukken. Aan de meeste conceptuele werken is trouwens na een dag of twee niets meer te beleven. Ik krijg er althans snel de gaap van.”

Asmat

Al heel lang verzamelt Freijmuth, zoals meer schilderende generatiegenoten, etnografica. Beelden, maskers en schilden uit Afrika, Australië, Oceanië. De statige gestalte van menig houten voorouderbeeld is in Freijmuths figuren terug te vinden, net als de decoratieve patronen, die op de schilden van de Asmat uit Irian Jaya prijken.

“Aan veel etnografische stukken kleeft een bezwerende zwaarte”, zegt hij. “Toen ik jong was wist ik daar geen raad mee. Ik vond die beelden eenduidig en angstaanjagend. Later, op zoek naar nieuwe ervaringen en andere invalshoeken, kwam ik weer op diezelfde beelden uit. Ik werd er alsmaar ontvankelijker voor, kocht weliswaar nogal wat vergissingen, maar ben tot op de dag van vandaag gevoelig voor de magie, die trouwens ook nog in eigentijdse etnografica kan schuilgaan.”

Vol bewondering praat hij over weer een ander etnografisch genre; de schilderkunst van de aboriginals. Het ver van ons verwijderde pointillisme van diezelfde aboriginals inspireerde hem tot bijna animistische schilderingen, met vrolijk vertakte wormvormigen die als octopussen het hele oppervlak in beslag nemen. Er krioelen plantachtige microben in een blauwe zee, met een verbaasde menselijke uitdrukking. Even moet Freijmuth in de huid van een echte aboriginal zijn gekropen, zo vertrouwd als hij is omgegaan met deze originele, dierlijke mensvoorstellingen.

Intussen zijn we op de tentoonstelling aan het eind van de jaren tachtig en in de jaren negentig beland. “Ik trek me nu nergens meer wat van aan”, zegt de schilder ineens, “al het vormelijke heb ik afgelegd.” Het klinkt triomfantelijk, en dat is het ook, want vooral in die laatste jaren zijn mooie dingen ontstaan. Waarom zou hij geen kleine hemelsazuur doekje maken met alleen maar het pasteuze profiel van een grove kop? Waarom geen stijlcompositie als een mélange van Miro, Calder en Reinier Lucassen? En waarom mogen die uitbundige behangsels, vol bloemen en kruipsels, die ook op vroegere doeken te zien zijn, hun contouren niet te buiten gaan? Marcherende soldaten kunnen toch ook op de samba overstappen?

De schilder heeft zichzelf inderdaad een nog grotere vrijheid toegeëigend dan voorheen. Maar al die jaren is in het hele oeuvre een opvallende, rode draad zichtbaar gebleven. En dat was het werk van Piet Mondriaan. Er is geen enkele, na-oorlogse schilder in Nederland die hem zo vaak op zijn eigen doeken met een rood-geel-blauw blokjespatroon, met een verdwaalde, geometrische balk, met een primair gekleurd rechthoekje in ere heeft gehouden.

Eigenlijk houdt Mondriaan Freijmuth al een levenlang gezelschap, niet opdringerig, maar onmisbaar in diens streven naar 'de tegengestelde harmonie' - van figuratie en abstractie, van ruimte en platheid, van primaire kleuren en pasteltinten.

Wonderbaarlijk genoeg is een van de laatste doeken op de tentoonstelling in Amstelveen een Boogie Woogie uit 1998, ontstaan toen De Nederlandsche Bank, Zalm en Kok nog geen benul hadden van zoiets als een Victory Boogie Woogie, laat staan van de prijs van zo'n doek . Freijmuth schilderde zijn eigen 'theedoekenruit', in lijnen met vrolijke blokjes, dezelfde die bij de Victory op ongelijke afstanden terugkeren. En in een uitgespaard, wit vierkant heeft hij als stoorzenderig element een sobere kop afgebeeld.

Freijmuth had in het begin van ons gesprek helemaal geen pleidooi voor de aankoop van Mondriaans doek hoeven te houden. Hij had als 'een man van beelden' gewoon kunnen zwijgen en stilletjes naar zijn werk kunnen wijzen.

Alphons Freijmuth, overzichtstentoonstelling 1965 tot heden. T/m 1 nov. in het Cobra Museum voor Moderne Kunst, Sandbergplein 1-3, Amstelveen. Geopend: di t/m zo 11-17 u. Monografie: ƒ 59,95.

Van de meeste conceptuele werken moet ik al snel gapen