Iemand gaat dood en daar wil je wat over schrijven: Gerrit Kouwenaar over poëzie en ouder worden

In Frankrijk, gezeten aan de tafel waar hij 's nachts 'met woorden goochelt', werd Gerrit Kouwenaar onlangs 75 jaar. Ouder worden betekent dat de beschikbare tijd afneemt, al is dat slechts een abstract idee. “Je wilt iets dat voorbij alle taal is, toch in woorden proberen te dwingen.”

“Monsieur et madame Couvenar? Oui, oui, c'est ici”, bevestigt de buurman in het piepkleine Zuidfranse gehuchtje waar Gerrit en Paula Kouwenaar de zomers doorbrengen. Bovenop een heuvel kijkt men aan de ene kant schitterend uit over de vlakte - “Nochtans ik verzeker u dat Frankrijk een zeer schoon land is”, grapt Kouwenaar met Vlaamse tongval. Aan de andere kant, waar de Kouwenaars hun terras hebben, toont het uitzicht groenblauw beboste heuvels en een verwilderd geraakte tuin vol salie, schermbloemen en springbalsemien. Aan de tuin zijn ze dit jaar nog niet zo erg toegekomen, wordt er verontschuldigend gezegd. Ik kijk erin alsof ik er iets bijzonders aan hoop te zien, iets poëtisch, want in Kouwenaars gedichten komt die tuin nogal eens voor. Hoewel, 'die tuin', dat weet je eigenlijk niet. Het woord 'tuin' wordt vaak gebruikt. Soms ligt de tuin op tafel, soms is hij geplant in het niks, soms moet hij in zichzelf worden ingesloten, soms geurt hij naar vroeger. Er zit wel eens het woord 'roodstaart' in en kijk, daar is de vogel ook in de werkelijkheid, terwijl wij, alsof we een Kouwenaar-gedicht uitbeelden, van het brood en het vlees eten.

“Ik heb altijd geprobeerd abstracta te vermijden”, zegt Kouwenaar als we na de lunch op het terras zitten en uitkijken over de middaghitte. “Ik wil weten aan welk gevoel een woord vastzit, concrete gevoelens moeten aan concrete woorden vastzitten, woorden als 'brood' of 'honger'. Voor mij is brood nog steeds brood dat op de plank ligt, niet iets symbolisch. Zoals er gewoon iets rammelt als je honger hebt. Er wordt wel gepraat over mijn 'eetmetafoor' - dat spreekt me bepaald niet aan. Er is geen metafoor. Maar soms denk ik zelf ook wel eens: daar heb je Kouwenaar weer met z'n brood.”

En wat doet u dan?

“Dan probeer ik dat brood toch weer op tafel te krijgen, droog of beboterd. Je maag is dichtbij, dichterbij dan je hart bijvoorbeeld. Dat woord is me trouwens ook veel te symbolisch.”

Kouwenaar, die terwijl wij daar zitten op het punt staat om 75 te worden, is een dichter met een lang verleden en een groot oeuvre. Vroeger dichtte hij overvloediger dan nu, maar het gaat nog altijd door.

“Soms verbaast het me wel eens, dat ik het nog steeds doe. Vroeger was ik wel eens bang dat het zou ophouden, dat het niet meer ging.”

U schrijft tegenwoordig veel meer gedichten in opdracht of bij gelegenheden.

“Ja een opdracht vind ik wel prettig, dat dwingt je om iets eens van een andere kant te bekijken. En misschien zijn mijn opdrachtgedichten wel wat meer navoelbaar, omdat ze dichter bij de aanleiding blijven. Maar het is natuurlijk ook zo dat er tegenwoordig meer opdrachten gegeven worden.

“Gelegenheidsgedichten zijn iets anders. Toen Lucebert doodging voelde ik me verplicht om iets te schrijven. Ik ben vijftig jaar bevriend met hem geweest, dan kan ik toch niet zeggen: 'Hier heb ik geen commentaar op'? Ik zat hier op het terras toen ik het hoorde en in het gedicht dat ik voor hem schreef probeer ik om dat moment te vangen: dat ik hier nog levend in de avondzon zat, terwijl daar voor hem verweg het licht was uitgegaan.”

Het gedicht staat in de tijd staat open (1996) en het is, hoewel dat onzin is om te zeggen bij een dergelijk oeuvre, één van de mooiste en ontroerendste gedichten die Kouwenaar schreef.

Vanavond gehoord van je dood op

een uur dat de dag haast stilstond van vrede

maar onder een andere hemel verstreek

een andere tijd ontplofte het licht en je was verdwenen (-)

Lucebert was ooit, net als Kouwenaar, een van de Vijftigers, de dichters die kort na de oorlog de poëzie vernieuwden en die tot een bijna mythische groep zijn uitgegroeid. Dat vindt Kouwenaar maar onzin. De Vijftigers was iets van een paar jaar, daarna is ieder zijn eigen weg gegaan.

“Lucebert is altijd een vriend gebleven, al is de vriendschap in die vijftig jaar wel een beetje veranderd. Met sommige anderen heb ik wat minder contact, we waren heel verschillend. Daarom was het juist ook wel een aardig clubje, omdat ieder toch echt z'n eigen gang ging. Een maanbewoner die nooit van de Vijftigers gehoord had zou nu niet meteen zeggen: dat is één generatie, één pot nat. Het was leuk en nuttig natuurlijk om even samen een frontje te vormen. Later kreeg ik weer meer contact met toen jongere dichters, zoals Hans Faverey bijvoorbeeld, of Rutger Kopland.”

De jonge Kouwenaar verwachtte destijds veel van de nieuwe tijd die na de oorlog zou aanbreken. Hij stemde CPN en werkte als kunstredacteur bij De Waarheid. Zijn poëzie gaf al spoedig uitdrukking aan zijn teleurstelling over hoe het toe bleek te gaan. Nu is zijn politiek engagement afgenomen. “Ik heb nog wel m'n ideetjes, maar in de loop der jaren zijn die een stuk minder radicaal geworden. Toen moest het allemaal veranderen - gelukkig is dat niet zo gebeurd.”

Is de oorlog van beslissend belang geweest voor uw werk?

“De oorlog heeft mijn generatie gevormd, die periode is eenvoudig niet weg te denken. Maar uiteindelijk kun je er niet zoveel over zeggen, je kunt het ook niet direct gebruiken. Misschien hooguit in de vorm van dieptepunten of ontroeringen die terug te voeren zijn op wat je in die tijd hebt meegemaakt.

“Ik werd 's nachts gearresteerd [in 1943, wegens medewerking aan het illegale tijdschrift Lichting] en de volgende middag werd ik overgebracht naar de Euterpestraat. In de cel naast me werd iemand afgerost. Het slaan, hoe dat dreunde, het schreeuwen van die man en de piepgeluiden van pijn die hij maakte - dat wordt een soort norm: dát is oorlog. Het gebeurt in je eigen vertrouwde omgeving, gewoon in Amsterdam Zuid. Je weet dat op de hoek een taartjeswinkel is, thuis zit je vader intussen zijn krant te lezen. Zo'n ervaring wordt normatief, daaraan kun je het drama in het leven afmeten. Tegelijkertijd moet het een geïsoleerde gebeurtenis blijven, het moet eigenlijk onbegrijpelijk blijven.

“Hoe zich zoiets precies tot de poëzie verhoudt, ik zou het niet weten. Het bepaalt je manier van kijken, misschien krijg je daarvan een woord als 'oorlogsbrood'. Ik denk niet dat je dat gezien of geproefd hoeft te hebben om te weten wat dat inhoudt.”

Weet u over het algemeen dan wel hoe uw leven zich tot de poëzie verhoudt?

“Mijn eigen dagelijkse ervaringen komen de laatste jaren meer dan vroeger in mijn poëzie terecht. Ik denk dat het bij de meeste schrijvers zo gaat, dat je steeds dichter bij huis blijft. Dit tuintje, het dak dat lekt, de muren die steeds meer gaten vertonen - ver hoef je niet te zoeken.

“Misschien wordt mijn latere werk daarom wel zinvoller, het staat steeds dichter bij mezelf. Het gaat niet meer over ideeën, wenselijkheden of visies. Nee: je bent van de stoep gevallen en hoe nu.

“Als er over poëzie wordt gepraat, gaat het vaak over de filosofie erachter, over hoe de dichter tegen de wereld en het leven aankijkt. Niet dat daar iets mis mee is of dat het niets interessants oplevert. Maar je krijgt wel eens de indruk dat de poëzie zelf daarbij op het tweede plan terecht komt. Niet meer het unieke bouwsel van woorden vormt de hoofdschotel maar wat erin wordt beweerd en tentoongesteld. Ik ben weleens geneigd te zeggen: de mooiste gedichten zijn inhoudsloos, het zijn toestanden van taal. Natuurlijk gaan ze altijd ergens over. Maar vaak is dat nauwelijks iets hemelbestormends. Je moeder gaat dood en daar wil je wel wat over schrijven, zó dat iemand anders die het leest er ook bij in tranen uitbarst of er misschien om moet lachen.”

In oktober verschijnt een glas om te breken, een klein bundeltje met nieuwe gedichten van Kouwenaar ('erg somber' zegt hij), een boek met opstellen van professor A.L. Sötemann over zijn werk en een verzamelbundel, helder maar grijzer, met alle gedichten uit de periode 1978-1996. De titel is ontleend aan een gedicht van Kouwenaar:

De zomer is grijs deze zomer helder maar grijzer, doorzichtig maar zwaarder alsof er een haarfijne as daalt over het eten alsof men een eender lichaam geleden kijkt naar zijn vader die beige en levend het gazon van het paradijs maait de zomer is grijs als melk in een beker als brood in een oorlog, men hoort het donker onder de stenen (-) U heeft altijd veel over eindigheid, sterfelijkheid, dood geschreven. Fungeren uw eigen formuleringen ook wel eens als troost of verzoening voor u zelf?

“'Helder maar grijzer', dat is eigenlijk ook een beetje een zelfportret. Als je ouder wordt verandert er eigenlijk niets, alleen de tijd wordt steeds korter. Maar ook dat is een verzinsel, want je ziet dat niet. Ik vind het wel eens verbazend dat mensen dat perspectief kunnen verdragen, almaar die valbijl boven het hoofd, dat ze niet versomberen, in paniek raken en geneigd zijn om de natuur maar een handje te helpen.

“Of gedichten dan een troost zijn - daarom doe je het niet, dat moet ook niet,de waarheid is zelden troostrijk. Maar goed ik moet toegeven, laatst zag ik een mooi schilderijtje, een riviergezicht van drie, vier eeuwen geleden, volmaakte rust - dat troost op een bepaalde manier, verzoent in elk geval.

“Ik krijg van mijn zoon de laatste jaren steeds een literaire kalender van een Zwitserse uitgeverij. Daar staan behalve schitterende foto's ook schrijverscitaten in, bijvoorbeeld uit dagboeken. Wat me daarbij opvalt, om niet te zeggen ontroert, is wat iemand heeft opgeschreven in 1879 of 1931 over hoe de dag verliep en wat er vanavond zou gebeuren etc. Die mensen zijn verdwenen, maar hun woorden staan er nog gewoon met alle mismoedigheid en blije verwachting. Gelukkig ook maar, anders verdwenen ze helemaal.

“Dat is ook iets wat zich aan je opdringt als je ouder wordt, dat alles verdwijnt. Je eigen verleden is al zo ver weg, dat geeft me niet het idee dat er van deze tijd veel over zal blijven. Neem Lucebert, wordt die nu nog veel gelezen? Hij is natuurlijk gecanoniseerd, wordt gebloemleesd, er wordt eens een studie aan hem gewijd, dat is het dan. Met je botjes sterft het af, hooguit blijft er nog het boompje dat je plantte, tot ook dat door een herfststorm wordt ontworteld - als het geen bulldozer is.”

Misschien valt dat wel mee. U kent en leest zelf toch ook poëzie van langer geleden?

“Ja ik lees wel Leopold of Gorter, maar ook kleinere goden uiteraard. Als je Gorter leest heb je nog steeds de neiging om commentaar te leveren, om iets terug te zeggen.

“De gedichten die ik uit mijn hoofd ken vormen tezamen overigens een eigenaardig zooitje. Laatst heb ik met Paula een gedicht van Perk gereconstrueerd 'De vedel zingt', dat hebben we allebei op school moeten leren. En een tijd geleden was ik met Henk Bernlef en Eva Hoornik op een poëziefestivalletje in België. 's Avonds was het gezellig en ik citeerde zomaar uit vrolijkheid: 'Toen zij de kamerplant had weggenomen,/ brieven ontvreemd, de kat vergiftigd had,/ daalde in mij een vrede zo volkomen,/ dat zij mij bijna vroeg wat zij vergat.' Eva vroeg: 'Van welke mafkees is dat nou weer?' Ik zei: 'Van je vader' [De dichter Ed. Hoornik]. Waarom uitgerekend dat nu is blijven hangen? Ik heb het nooit een bijzonder gedicht gevonden.

“Ik heb wel eens gelezen dat ze in de Japanse kampen boeken samenstelden met gedichten die men uit het hoofd kende. Daar zaten natuurlijk gaten in maar met elkaar vulden ze die dan naar beste weten aan. Daar bleek later ontstellend veel in verzonnen te zijn. Ik weet niet of die boeken bewaard gebleven zijn, ik zou ze dolgraag eens willen zien.”

Dat is een mooi bewijs van de kracht van de poëzie, dat die onder zulke omstandigheden veel voor mensen betekent.

“Ja, poëzie kan soms dienen om echt moeilijke momenten te omcirkelen. Wat zou je nog willen of kunnen zeggen als je naast iemand zit die doodgaat. Toch wilt je dan iets dat voorbij alle taal is, in woorden dwingen.”

Al die ervaringen en emoties die door Kouwenaar in woorden gedwongen worden, zijn, zoals dat bij goede dichters gaat, persoonlijk en algemeen tegelijk. Kouwenaar benadrukt het algemene door zelden of nooit 'ik' te schrijven, maar altijd 'men' - ook als het overduidelijk is dat het om een zeer 'ikkige' ervaring gaat. Zoals Sötemann terecht opmerkte in het aan Kouwenaar gewijde Revisor-nummer uit 1993: “Het spreekt vanzelf dat vrijwel niemand in zijn huis het 'proper karkas/ met machtige vleugels' van een uil zal vinden dat 'men' erin aantreft, maar de ervaringen waar het in dit vers ['een geur van verbrande veren'] om gaat zijn volstrekt navoelbaar.” Zo is het. En de laatste bundels lijken onverbloemder en aangrijpender dan ooit het dichterbij komende einde en het korter worden van de beschikbare tijd onder woorden te brengen, waarbij de men-vorm juist door zijn afstandelijkheid sterk emotioneert:

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis nog vellen, men moet zijn winters nog sneeuwen men moet nog boodschappen doen voor het donker de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder (-) Verbaast u zichzelf wel eens met een gedicht?

“Soms als het af is ja, dat het zo goed gelukt is en dat het meer bevat dan ik dacht. Daar kan ik dan zelf wat van leren. Ik ben ook streng, het ergert me wel als er een dode regel in zit. Vroeger dacht ik dan wel 'Toch een leuk gedicht' maar nu vind ik dat ik me dat niet meer kan permitteren. Als ik naar sommige gedichten van vroeger kijk, vind ik ze soms best goed voor toen, maar als ik daar de eindstreep mee had moeten halen, zou dat toch niet heel eervol geweest zijn.”

Heeft u plezier in uw werk?

“Gedichten schrijven is het meest zinvolle wat er is. Ik zit daar aan de tafel, het is nacht, Paula ligt boven te slapen, de ramen staan open en ik goochel met die woorden. Dat is een geluksgevoel.”

's Avonds, bij het aanbreken van de volgende dag, zitten we om diezelfde tafel waaraan met de woorden gegoocheld wordt. Er staan glaasjes op, er staat een klokje dat twaalf uur aangeeft, Kouwenaar houdt de Zwitserse schrijverskalender op en wijst de datum aan: zijn verjaardag. Paula Kouwenaar neemt een foto van de kersverse 75-jarige. “Het is vandaag de datum, een heel jaar/ daarop gewacht”. We zingen. In de aanbiedingsfolder van uitgeverij Querido is te zien hoe de tekst van het verjaarslied eigenlijk zou moeten luiden: “Lang zal men leven.”

Bij uitg. Querido verschijnen half oktober 'helder maar grijzer. Gedichten 1978-1996' en 'een glas om te breken'. Bij de Historische Uitgeverij verschijnt 1 oktober 'Verzen als leeftocht. Over Gerrit Kouwenaar', van A.L. Sötemann.