Gewoon gewóón

Toen mijn achtjarig zusje werd gestompt door haar zevenjarig broertje, riep zij woedend: 'Au gewoon!' Het is een gevleugeld woord gebleven in onze familie. Pas veel later is dit woord een tijdje in de mode geweest, ongeveer zoals mijn zusje het gebruikte: 'Ik vind die Jacobsladder van Maarten 't Hart gewoon mooi.' Als je het zo zei hield het een zekere verontschuldiging in tegenover de velen die wel eens anders zouden kunnen denken over dat boek. 'Ik kan het niet helpen, maar ik vind Finlandia van Sibelius gewoon prachtig.'

Deze mode is vrij snel voorbijgedreven, maar 'gewoon' blijft een van de meest gebruikte woorden in de Nederlandse taal. Onlangs kregen we weer een 'gewoon' kabinet. En 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg' is en blijft een oer-Nederlandse boutade.

De Grieken om mij heen zouden niet goed weten wat ze ermee aanmoesten. Ze zijn niet gewoon, en eigenlijk hebben ze er ook geen woord voor. 'Typikós' komt nog het meest in de buurt - het is het tegenovergestelde van ons 'typisch' en betekent ook 'formeel' - maar de laatste tijd grijpen ze steeds vaker terug op het niet-Griekse 'normál', juist omdat ze er geen eigen woord voor hebben.

Komt 'gewoon' opnieuw in de mode? Op de Europese weeruitzending van de Wereldomroep is het woord overstelpend teruggekomen, gelukkig ten koste van het eveneens overbodige 'toch'. ('In Noord-Spanje gaat het toch weer regenen', 'in Griekenland blijft het toch heet'.)

Nu is alles gewoon geworden, in Italië schijnt gewoon de zon, in Zweden gaat het gewoon regenen, in Engeland is het gewoon zacht. Ik heb ook al gehoord 'gewoon 30 graden' en 'gewoon wisselvallig'.