Gevangenisbezoek

COCHABAMBA. Ik zit op de tiende verdieping van hotel Diplomat in Cochabamba, Bolivia. Recht voor mij, op een bergtop, staat een levensgroot beeld van Jezus Christus.

Ik ben hier naartoe gereisd om te kijken hoe het met mijn forellenkwekerij gaat waarin ik verleden jaar zo royaal had geïnvesteerd.

Gedurende de reis van bijna vierentwintig uur zag ik mijzelf al aan de rand van een kunstmatig meertje onder een verdorde boom, want zo realistisch was ik ook weer, hengelen naar een van mijn eigen forellen. Vanaf Cochabamba moest ik in een open vrachtwagen nog een uur reizen naar het dorp waar mijn compagnon woonde, Pepe. Hij had mij indertijd overtuigd van de winstgevendheid van gerookte forellen, en dat ze zich voortplantten als beesten. En dat je alleen wat forellensperma uit Chili nodig had en dat het dan nooit meer zou ophouden. Vooral dat forellensperma uit Chili klonk zo vertrouwd. En dat het nooit meer zou ophouden.

Gedurende de reis op de vrachtwagen zochten vele handen in mijn zakken. Mijn creditcards had ik opgeborgen in mijn schoenen, hoewel dat wat onaangenaam liep.

Ze hadden mij gezegd, “ze spugen je in je gezicht en in de verwarring die dan ontstaat bestelen ze je”. Niemand spoog in mijn gezicht.

Na een tijd wist ik ook niet meer zeker of de handen in mijn zakken en op mijn billen handen waren die geld zochten of handen op zoek naar een seksueel avontuur. Wat deed het ertoe, het waren in ieder geval zoekende handen. Mijn eigen handen hebben ook vaak gezocht, maar vandaag hadden ze een rustdag. Uiteindelijk kwam ik aan in het dorp van Pepe. Alle hutten leken op elkaar. Met een steen probeerde ik een paar hongerige zwerfhonden te verjagen. Drie magere kippen sloegen op de vlucht.

De hut van Pepe was verlaten. Maar achter de hut vond ik een vrouw met een kind die bezig was aan een mij onbekend beest te plukken. Ik zei dat ik voor Pepe kwam. Daarop hief de vrouw haar armen ten hemel, stootte een paar kreten uit en ging verder met het plukken van het beest.

Het beste was, meende ik, het Spaanse woord door forel net zolang te herhalen tot het tot haar was doorgedrongen dat ik was gekomen om mijn forellenkwekerij te bezichtigen en misschien zelfs wel een forelletje of twee te eten.

Nadat ik het bewuste woord een keer of dertig had herhaald, kwam er een andere vrouw, een jongere. Uit de tien woorden Spaans die ik sprak en de tien woorden Engels die zij sprak begreep ik dat mijn compagnon in de gevangenis zat omdat hij een koe had gestolen.

Waarom steelt iemand een koe die een forellenkwekerij wil beginnen?

Het leven zit vol onoplosbare raadselen en bijna net zo vol met tranen, want die zag ik over de wangen van de jongere vrouw lopen. Ik wendde mijn gezicht af uit angst dat haar tranen mijn eigen tranen eraan konden herinneren dat het misschien wel weer eens tijd was om te gaan wellen. Dat vinden tranen namelijk zo lekker.

De jongere vrouw nam mij mee naar een kunstmatig meertje dat met mijn geld was aangelegd, Er zat inderdaad wel wat stromend water in dat meertje, maar geen forel. Absoluut geen enkele forel. Terwijl wij allebei naar het forelloze water staarden vertelde zij dat ik Pepe wel op kon zoeken in de gevangenis. Een steekpenning aan de poort zou voldoende zijn. Veertig dollar, meer was niet nodig. Ik vond veertig dollar geen geld om een gevangenis in te komen.

Op de terugweg naar de stad voelde ik vele zoekende handen op mijn lichaam en zelfs de zoekende tong van een geit. Maar ik was er intussen aan gewend geraakt.

De portier van hotel Diplomat vertelde dat ik er verstandig aan deed om niet met mijn perskaart naar de gevangenis te gaan.De gevangenisdirecteur hield niet van journalisten. Ik kon beter vertellen dat ik voor een kerkelijke organisatie werkte. 's Middags kocht ik in een kerk een bijbel. Met behulp van een potje gore gel kamde ik de krullen uit mijn haren. Voor een paar bolivianos kocht ik een grijze trui en sandalen.

Ondanks dit alles vond ik mijzelf er nog steeds akelig etnisch uitzien. Etnischer dan ooit eigenlijk. Ik was gewoon een bekeerling die de weg had gevonden.

Op een groot plein in de binnenstad was de gevangenis.

Bij de poort sprak ik een bewaker aan met kolonel. Ik gaf hem veertig dollar die ik in mijn bijbel had gestoken. De kolonel hield de dollars tegen het licht.

Ik zei dat ik werkzaam was voor een Nederlandse kerkelijke organisatie en dat ik de gevangenen wilde bezoeken en één gevangene in het bijzonder. Ik noemde de naam van mijn compagnon.

In het Engels sprak ik over vergiffenis en inkeer, wetend dat de kolonel toch geen Engels sprak. En terwijl ik over inkeer en vergiffenis bleef spreken duwde ik hem nog eens twintig dollar in handen.

Een andere kolonel bracht mij de gevangenis in.

De geur van urine en andere uitwerpselen prikkelde in mijn neus.

Nogmaals noemde ik de naam van mijn compagnon en uit mijn bijbel haalde ik weer veertig dollar. Ook sloeg ik een kruis. Deze kolonel hield de biljetten niet tegen het licht, hij knipoogde, Nogmaals sloeg ik een kruis, want kolonels horen niet te knipogen naar mensen die dicht bij god staan.

De kolonel liep met mij langs hokken waarin allemaal gevangenen zaten. De sterksten schreeuwden, staken hun handen uit de tralies en plukten aan mijn kleren. Anderen zeiden op smekende toon allerlei dingen tegen me die ik niet kon verstaan. Er waren ook gevangenen die me uitscholden. Een echte priester deelde brood en pinda's uit terwijl hij gebeden murmelde. Op het dak slenterden bewakers met geweren alsof ze hun hond uitlieten op een zondagmiddag in het park.

De geur van urine werd steeds sterker.

Ik deed mijn best niet naar de gezichten te kijken die bij de armen en handen hoorden die uit de tralies staken. Ik hield mijn blik op mijn bijbel gericht.

Uiteindelijk kwam ik bij het hok waar mijn compagnon zat. Zijn naam werd een paar keer geroepen. Toen kwam hij bij de tralies.

Eerst herkende ik hem niet. Hij mij ook niet.

“De forellenkwekerij,” zei ik een paar keer.

Toen wist hij het weer.

Een gevangene ging over zijn nek. Er werd nog steeds aan mijn kleren geplukt.

“Waarom zit je hier?” vroeg ik.

“Ik heb een koe gestolen”, zei mijn compagnon, “ik wacht op mijn proces.”

“Hoe lang gaat dat duren?”

“Het kan morgen beginnen, maar misschien ook pas over twee jaar. Niemand weet iets.”

Tussen mij en mijn forellenkwekerij stond een gestolen koe.

De kolonel zei dat mijn tijd om was. Ook hij wist niets.

“Heb je geld nodig?”

“Geef het aan mijn familie”, fluisterde de compagnon. Toen werd hij bij de tralies weggeduwd door een andere gevangene die nu ook wel eens aan kleren van bezoekers wilde plukken. Op de terugweg wilde de echte priester een gesprek beginnen, maar ik zei dat ik geen tijd had, dat ik elders verwacht was.

En dat ik net als iedereen, niets wist.

Een non met een brommer gaf mij een lift. Ik hield mij stevig aan haar vast.

In een donker etablissement dobbelde ik met een stel onbekenden.Later in de avond kregen we gezelschap van een viertal lijmsnuivertjes. Lijm was het voorportaal van verlossing, ik had het kunnen weten.

Een man met een baard verklaarde, “ik heb mijn liefde exclusief gereserveerd voor dobbelstenen.”

Toen vloekte hij een paar keer, want de dobbelstenen wilden niet luisteren.