Geëmancipeerd maar niet gelukkig

Marianne Philips (1886-1951) Martje Breedt Bruyn: Tijdloze ogenblikken. Een biografie van Marianne Philips. Stichting Ex Libris/Prestige, 110 blz. ƒ 24,90

In haar proefschrift De Nederlandse romanschrijfster na 1880 - een in 1935 gepubliceerde quasi-wetenschappelijke scheldpartij tegen de 'damesroman' - uitte Annie Romein zich opvallend positief over Marianne Philips. In tegenstelling tot de personages van vrijwel ale andere door haar besproken romancières hadden 'de gestalten' van Philips volgens haar 'iets van de algemeen-geldigheid der klassieke epiek'. Ook mannelijke recensenten (Bordewijk, Ter Braak, Coenen, Helman, Greshoff, Vestdijk) prezen het werk van deze pas op latere leeftijd gedebuteerde schrijfster. Des te verbazingwekkender is het dat haar boeken - vijf romans, twee bundels novellen en het boekenweekgeschenk De zaak Beukenoot (1950) - in de vergetelheid zijn geraakt.

Haar biografe, Vrij Nederland-redacteur Martje Breedt Bruyn, schrijft dit toe aan de aard van haar oeuvre, dat niet in een stroming is in te delen. De enige constante in haar werk zou 'een belangstelling voor ethische vraagstukken' zijn. Bevredigend is die verklaring niet, al was het maar omdat dit ook kan worden gezegd van Carry van Bruggen (met wie Philips vaak is vergeleken). Hààr romans werden echter herdrukt en beleefden een ware revival.

De naam Marianne Philips is tegenwoordig alleen nog bekend bij mensen die in één van de drie naar haar genoemde straten wonen, bij oudere generaties die het boekenweekgeschenk van 1950 nog in hun kast hebben staan en bij enkele sociaal-historici. Voordat de schrijfster op haar 43ste debuteerde met De wonderbare genezing was ze namelijk al bekend als vakbondslid en propagandiste van de SDAP. Om te ontsnappen aan het verscheurde joodse middenstandsgezin waar ze in opgroeide had Philips er, zodra ze 21 was, voor gezorgd zelfstandig door het leven te kunnen. In 1907 werd ze telefoniste en correspondente vreemde talen bij de diamantfabriek I.J. Ascher in de Amsterdamse Tolstraat. Ze droeg reformkleding, bezocht een vegetarische restaurant aan het Rembrandtplein waar ze SDAP'ers ontmoette, en werd lid van de Algemene Bond van Handels-en Kantoorbedienden.

Daar leerde ze haar eerste liefde kennen. Maar omdat de man zich laatdunkend uitliet over vrouwen, gaf ze hem de bons. Haar tweede liefde en latere echtgenoot was de sociaaldemocratische oprichter van de bond, Samuel Goudeket, met wie ze zich in het Gooi vestigde. Marianne werd in 1919 voor de SDAP gekozen in de gemeenteraad van Bussum. Het passief kiesrecht voor vrouwen was nog maar net ingevoerd, zodat ze één van de eerste vrouwelijke gemeenteraadsleden was. Toen in oktober 1919 haar tweede kind werd geboren noemde ze zich trots 'het eerste Nederlandse raadslid dat een kind ter wereld bracht'.

Het interessante aan Marianne Philips' ontwikkeling is dat zij exemplarisch lijkt voor vrouwen die zich emancipeerden onder invloed van de eerste feministische golf. Zij plukten de vruchten van de strijd die de generatie vóór hen, die van Aletta Jacobs, had gevoerd voor betere onderwijskansen en kiesrecht, begaven zich op de arbeidsmarkt en in de politiek, maar werden vervolgens niet gelukkig.

Op het terrein van persoonlijke relaties en seksualiteit was de emancipatie nog maar nauwelijks begonnen, wat voor de nodige echtelijke drama's zorgde. Ook de Goudekets hadden een beroerd, vrijwel seksloos huwelijk (Marianne had het over hun 'vrijwel genegeerde lichamen') en de klassieke manier om het ongeluk te compenseren - een kind - werkte niet. Na de geboorte van dochter Hester in 1913, werd Marianne overvallen door een post-natale depressie die haar in de Amsterdamse Valerius-kliniek deed belanden. In Breedt Bruyns biografie valt tussen de regels door te lezen dat het politieke werk van Philips als compensatie moest dienen voor haar troosteloze en weinig actieve leven als echtgenote en moeder. Ook al deed ze haar raadswerk naar tevredenheid, de politiek was niet haar roeping en het door de SDAP gepredikte socialisme niet haar ideaal. Vandaar dat ze al na krap een jaar onverwachts afscheid nam van de raad. Officieel wegens huiselijke omstandigheden, maar volgens haar biografe omdat 'ze zich voelde aangetrokken tot het religieus-socialisme, een richting waar de meeste partijgenoten (...) niets van moesten hebben'.

Hier wreekt zich een gebrek aan kennis van Breedt Bruyn over de geschiedenis van het Nederlandse socialisme. De keuze van Philips voor het Religieus Socialistisch Verbond en voor de Woodbrookers was namelijk helemaal niet zo atypisch als zij het voorstelt. Onder invloed van de Eerste Wereldoorlog had het ethisch socialisme grote opgang gemaakt, ook onder leden van de SDAP. Oorden als Barchem, Kortehemmen en later Bentveld - centra van de religieus-socialistische Woodbrookers - werden populaire toevluchtsoorden voor sociaal voelende maar ondogmatische, zoekende mensen. Helaas blijkt uit de biografie niet onder wiens invloed Marianne haar weg naar de Woodbrookers vond, zoals eigenlijk nergens duidelijk wordt wie in haar socialistische jaren haar geestelijke leiders of voorbeelden waren. Ze verdiepte ze zich in het werk van Gorter en Henriette Roland Holst, schrijft Breedt Bruyn, maar of ze deze marxistische dichters - die ongeveer bij haar om de hoek woonden - ook persoonlijk kende, blijft onbekend.

Als 'vriend' wordt wel Henri Polak opgevoerd, SDAP-voorman en leider van de Diamantbewerkersbond ANDB. Maar hij wordt geïntroduceerd zonder enige context. Het enige wat over hem te berde wordt gebracht, is dat hij in 1911 tegen het echtpaar Goudeket zou hebben geroepen: 'Het Gooi? Wat moeten jullie daar? Daar stuurt men toch alleen zijn was heen?' Een onwaarschijnlijke uitspraak, aangezien Polak zelf toen al sinds vijf jaar in een door Berlage ontworpen villa te Laren woonde. Het lijkt een kleinigheid, maar dit foutje is kenmerkend voor de hele biografie, waarin voetnoten en andere verwijzingen ontbreken, zodat er niets te controleren valt.

De belangrijkste omslag in het leven van Marianne Philips - haar besluit op 41-jarige leeftijd om schrijfster te worden - beschouwt de biografe als het logische vervolg op haar afscheid van de actieve politiek, die het begin vormde van 'een lange zoektocht naar dat wat het leven zin geeft'. Maar was Philips - die al zoekende achtereenvolgens het socialisme, de psychoanalyse en de theosofie omarmde om zich ten slotte in 1940 te laten dopen tot katholiek - een belangwekkend schrijfster, wier oeuvre een biografie rechtvaardigt? Ik veronderstel dat de enkeling die haar werk nog kent, deze vraag bevestigend zal beantwoorden. Maar het probleem van Tijdloze ogenblikken is dat Breedt Bruyn geen enkele poging doet haar oeuvre in zijn tijd te plaatsen of anderszins te analyseren. Ze baseert zich uitsluitend op recencies en onthoudt zich van een oordeel over de waarde die romans als De biecht, Bruiloft in Europa of Henri van de overkant vandaag nog hebben.

Als schrijversbiografie voldoet dit boek niet, maar ook als levensbeschrijving schiet het tekort en dat is echt jammer. Want hoe men ook over het werk van Marianne Philips oordeelt, haar leven was zonder meer boeiend, zeker tegen de achtergrond van haar tijd. Welke Amsterdamse joodse vrouw haalde het in 1911 in haar hoofd om niet in de sjoel te trouwen omdat 'het jodendom geen plaats heeft voor een vrouw?' Welke huisvrouw nam zitting in de gemeenteraad, zocht heil bij een langdurige psychoanalyse of huurde als Gooise dame een kamertje in een arbeidersbuurt om onder een schilderij van Toorop ongestoord te kunnen schrijven? Haar biografe stipt dergelijk ongebruikelijk gedrag aan, maar dendert met grote stappen verder en roept meer vragen op dan ze beantwoordt.

Slechts één (onaangename) verrassing had deze biografie voor mij in petto: over het karakter van Marianne Philips. Uit haar boeken meende ik haar te kennen als een barmhartige, gevoelige en wijze vrouw, terwijl Breedt Bruyn haar afschildert als een akelige opportuniste, die vooral haar eigenbelang (als schrijfster) op het oog had. Haar krampachtige pogingen om - via slijmbrieven aan recensenten en schrijvers - opgenomen te worden in literaire milieus, doen onsympathiek aan. Maar ronduit stuitend is de opmerking die Breedt Bruyn noteerde uit de mond van de 'onderduikmoeder' van Philips' kleindochter Judith Belinfante. Toen de oorlog voorbij was, zou zij tegen deze vrouw hebben gezegd: 'Je hebt alleen maar voor Judith gezorgd om je in ons milieu in te dringen'. Deze passage is dodelijk, omdat Marianne Philips er in één klap mee wordt neergezet als een egocentrisch monster. Reden temeer, lijkt mij, om zo'n verstrekkende uitspraak niet zomaar te publiceren. Breedt Bruyn heeft - zo blijkt uit haar tekst, maar niet uit haar bronnenopgave - gesproken met een dochter van Marianne Philips, met haar schoonzoon mr. A.D. Belinfante en met haar kleinkinderen. Het was niet minder dan rechtvaardig geweest deze mensen om commentaar te vragen op haar schokkende gedrag en zo haar karakter en daarmee deze biografie wat meer reliëf te geven.