Eris hoop, ondanks armoede en racisme: Gesprek met filmmaker Robert Guédiguian

Marseille vormt het terugkerende decor voor de films van Robert Guédiguian. De arbeiderswijk Estaque oogt pittoresk en de bewoners zijn goedgeluimd, maar de drijfveren van de maker zijn politiek van aard. “Mijn cinema is een militante cinema.”

Het lijkt niet ongezellig in de Estaque, een wijkje van arbeidershuisjes in de schaduw van een gesloten cementfabriek in de buurt van Marseille, waar de film Marius et Jeannette speelt. Zeker, men is arm. Maar er wordt veel gelachen door de bewoners. De liefde overwint, tussen de ontslagen caissière uit de supermarkt (Jeannette) en de opzichter van het verlaten fabrieksterrein (Marius), die mankheid voorwendt omdat hij daarmee een baantje heeft kunnen krijgen. En als een van de buurtbewoners al eens - uit politiek onbenul - bij verkiezingen op de fascisten van het Front National heeft gestemd, dan staat de luidkeelse hoon van de buren, en vooral van zijn eigen echtgenote, er borg voor dat zoiets niet nog een keer zal voorkomen.

De resten van de klassieke Franse arbeidersklasse, denk je na het zien van Marius et Jeannette, worden zwaar getroffen door de economische crisis, maar het moreel is hoog en het zal wel goed komen. Regisseur Robert Guédiguian (45), in Amsterdam om zijn film toe te lichten, slaat dergelijke optimistische conclusies aan het begin van het gesprek meteen de bodem in: Marius et Jeannette, laat hij weten, is geen realistische film maar een conte, oftewel een fabel.

Zijn humorvolle en optimistische film is mede bedoeld als een leerstuk, een les voor de toeschouwers, hoe te leven. Dat dit streven riekt naar het brechtiaanse leerstuk, en pedagogische bedoelingen in de hedendaagse cinema een wat anachronistische indruk maken, stoort de regisseur geenszins. “Ik ben zelf communist geweest, totdat ik in 1980 de partij verliet”, vertelt hij. “Maar het communistische gedachtengoed - daar sta ik nog ten volle achter.”

Kaskraker

Marius et Jeannette is in Frankrijk vorig jaar vaak in één adem genoemd met Western van Manuel Poirier (die eerder dit jaar in Nederland werd uitgebracht), omdat beide films zich bezighouden met de crisis in de moderne (Franse) samenleving: de spanningen aan de onderkant van de maatschappelijke ladder, waar werkloosheid, racisme, armoede, liefdeloosheid en cynisme op de loer liggen. Guédiguian: “Ik ben met Poirier het afgelopen jaar vaak samen op pad geweest, en terecht, want onze films hebben eenzelfde benadering.” Dat beide films vorig jaar in Frankrijk ware kaskrakers waren, bewijst wel hoezeer deze materie het publiek bezighoudt.

In Western wordt de sfeer aan de onderkant van de samenleving behandeld in een vervreemdende context - twee have nots van buitenlandse origine trekken door Bretagne. Guédigian kiest daarentegen voor een frontale, traditionele benadering. Het is voor de kijker makkelijk identificeren met al die aardige bewoners van een binnenplaatsje in een achterbuurt, die zich bovendien zonder uitzondering uiten in sappig marseillaans - de moedertaal van Fernandel. Ook de regisseur bedient zich in het dagelijks leven van dit dialect, zodat het maar goed is dat hij zijn elfjarige dochter naar Amsterdam heeft meegenomen, die voor ons af en toe een woordje in noord-Frans kan vertalen.

Guédiguian is marseillaan in hart en nieren, voor zover je daarvan kunt spreken in een havenstad die het in zijn geschiedenis altijd van immigranten moest hebben. Zijn vader was Armeniër, zijn moeder Duits. Al zijn acht films spelen in Marseille en zijn daar ook opgenomen. In de Estaque waar Marius et Jeannette (zijn zevende film) speelt, blijkt de regisseur geboren en getogen.

Als geen ander weet hij dus, dat die Estaque er geenszins zo uitziet als in Marius et Jeanette: “De arbeidersklasse woont daar niet meer onder elkaar, maar trekt weg omdat de huisjes van de wijk door rijkere burgers worden opgekocht. De Estaque ligt toeristisch interessant, vlak aan zee. De wijk had aan die ligging in de vorige eeuw zijn ontstaan te danken: arbeidershuisjes rond de fabrieken en havens van de kust. Maar de havens raken verlaten, de fabrieken zijn dicht - heel Marseille ontwikkelt zich in de richting van een toeristisch centrum.”

De strekking van Marius et Jeannette is dus niet zozeer sociologisch, maar moreel. “Elke persoonlijke overwinning telt”, meent Guédiguian. Dat de beide protagonisten uit zijn film erin slagen hun wederzijdse cynisme en achterdocht te overwinnen, hun frustraties in het leven opzij zetten en met elkaar voor de liefde kiezen, moet aantonen dat er nog hoop is voor de samenleving. Dat er nog ruimte is voor het overwinnen van maatschappelijke achterstelling, en dat het nog mogelijk is om niet alleen het geld het moderne leven te laten regeren. En dat er voor Frankrijk nog een andere uitweg bestaat dan de door het Front National gepredikte rancune en rassenhaat.

“Uit de privé-overwinning komt de collectieve overwinning voort”, meent Guédiguian. Het verhaal van zijn film moeten we begrijpen als 'een haalbare utopie'. Het heeft hem groot genoegen gedaan dat een Franse krant schreef dat Marius et Jeannette een film was 'om met je volksafgevaardigde te gaan zien' (in Frankrijk worden parlementariërs per district gekozen). “Ik weet dat veel afgevaardigden hem ook inderdaad hebben gezien en hebben begrepen, dat het een politieke film is - niet alleen linkse politici maar ook die van democratisch rechts.”

De utopie van Estaque ontleent zijn betekenis mede aan het feit dat een andere wijk van Marseille, de voorstad Vitrolles, sinds een paar jaar wordt bestuurd door vertegenwoordigers van het Front National, waarvan het politiek programma voornamelijk is gebaseerd op rancuneuze xenofobie. Voor een deel was die verkiezingsoverwinning mogelijk doordat de plaatselijke arbeidersklasse in deze voormalige hoogburcht van het communisme, uit frustratie over het wegvallen van haar materiële basis in de industrie, plotseling zijn stem aan uiterst rechts gaf.

Ook deze politieke erfenis is in Marius et Jeannette prominent aanwezig, in de vorm van voortdurende discussies tussen de buurtbewoners over de opheffing van de Sovjet-Unie, de wederinvoering van het kapitalisme in Rusland en de gevaren die het socialisme op Cuba bedreigen, nu Castro in zijn nadagen bereid blijkt om gekleed in driedelig kostuum een staatsbezoek in het buitenland af te leggen. Dat zijn meer dan grappen, benadrukt de regisseur: die scènes bedoelen aan te geven dat het communisme ook redelijk nadenkend en analyserend kan worden verwerkt, en dat de teloorgang van de oude ideologische wereld niet hoeft te leiden tot politieke wanhoopsdaden. En tegelijkertijd wordt nagedacht over de contouren van de nieuwe samenleving, getuige de gepensioneerde onderwijzer die de kinderen onderhoudt over de gemeenschappelijke monotheïstische basis van christendom en islam.

Guédiguian ziet zichzelf als de eerste marseillaanse cineast sinds Marcel Pagnol (1875-1974), die op vergelijkbare wijze Marseille en omliggende gebieden gebruikte als een pittoresk decor voor morele vertellingen en trouwens een film heeft gedraaid die Marius heette. Verder zijn Marseille en omgeving in de Franse filmgeschiedenis vooral vertegenwoordigd door twee grote acteurs, Fernandel en Raimu. Eigenlijk komt de in grootte derde stad van Frankrijk (na Parijs en Lyon) in de Franse film verbazingwekkend weinig aan bod. “Er worden in Marseille tegenwoordig wel meer films gedraaid”,vertelt Guédiguian, “maar ik ben eigenlijk de enige die er altijd draait, en die zijn films ook in Marseille produceert.” Des te meer reden om van zijn films meer te maken dan exercities in het pittoreske, meent hij. “Mijn cinema is een militante cinema.”

Marius et Jeanette van Robert Guédiguian is sinds gisteren te zien in tien filmtheaters.