Donoren spermabanken in aantal gehalveerd

DEN HAAG, 11 SEPT. Het aantal spermadonoren is sinds 1990 meer dan gehalveerd. In 1990 waren er nog 901 doneren bij de spermabanken ingeschreven, vorig jaar was dat aantal 433. Met name het aantal donoren dat anoniem wil blijven is sterk afgenomen. Een aantal spermabanken heeft door gebrek aan donoren al moeten sluiten. Eind vorig jaar waren nog twaalf tegen twintig in 1990.

Ook het aantal door kunstmatige inseminatie ontstane zwangerschappen nam af van naar schatting 1.400 tot zo'n 1.250. De wachttijd voor deze behandeling is sterk toegenomen.

De Nederlands Belgische Vereniging voor kunstmatige inseminatie verwacht dat bij de spermabanken maar zo'n honderd donoren overblijven als minister Borst (Volksgezondheid) de anonimiteit opheft. De Vereniging voorziet een drastische verlenging van de wachttijden, wensouders die naar het buitenland uitwijken en beperking van de doelgroep voor wie sperma beschikbaar is tot jonge, normale wensouders waardoor oudere vrouwen en homoseksuelen niet meer bediend worden.

In december vorig jaar heeft Borst de Vereniging gevraagd aan te geven hoe het bestand aan donoren zich sinds 1990 heeft ontwikkeld, toen het kabinet besloot dat via kunstmatige inseminatie verwekte kinderen de identiteit van de spermadonor zouden moeten kunnen achterhalen. In 1993 werd daartoe een wetsvoorstel bij het parlement ingediend. De behandeling ervan stopte bij het aantreden van het eerste kabinet-Kok. Eind vorig jaar hervatte Borst de procedure. In een brief aan de Kamer schreef zij dat zij vasthoudt aan het plan om, onder een aantal voorwaarden, de anonimiteit van de spermadonor op te heffen. Uit het onderzoek van de Vereniging blijkt dat het aantal donoren dat geen bezwaar heeft tegen openbaarmaking van de identiteit (of daar prijs op stelt) in de afgelopen is gestegen van 26 tot 76. De Vereniging schat dat er zich jaarlijks niet meer dan zo'n 25 van dergelijke donoren bij zullen komen. Deze aanwas compenseert het verlies aan donoren die anoniem willen blijven bij lange na niet, zo wordt geconstateerd.

De minister erkende dat het wetsvoorstel tot een aanzienlijke vermindering van het aantal donoren en tot lange wachttijden zou kunnen leiden. Volgens haar moet “het belang van paren bij een snelle vervulling van hun kinderwens wijken voor het belang van het kind”. Volgens Borst is het een grondrecht van een kind om zijn (biologische) ouders te kennen. De minister erkent dat dit recht overigens lang niet altijd wordt uitgeoefend. Veel ouders doen het kind daarover geen mededeling. Ook komt het voor dat kinderen die weten via kunstmatige inseminatie te zijn verwekt, er geen belang in stellen de donor te kennen.

Het wetsvoorstel voorziet in een stichting die zowel de niet op de persoon herleidbare medische gegevens van de donor als diens persoonsgegevens gaat beheren. De eerste soort gegevens zijn vrij opeisbaar. De stichting bepaalt of ook de andere gegevens zullen worden verstrekt. Zij weegt daarbij het belang van de donor af tegen dat van het kind dat om informatie vraagt. Het kind moet minimaal 16 jaar zijn; voor die tijd kunnen de ouders erom vragen.

Tegen een uitspraak van de stichting staat beroep bij de rechter open.