De taal van Starr

Een advocaat, vrijgezel van onkreukbare reputatie, energiek, plezier in zijn werk hebbend, zonder ophef maar onverzettelijk zijn carrière vervolgend, leest voor hij gaat slapen een paar pagina's in het proces-verbaal van een zedenzaak, of bladert wat in de jaargang van een oud vakblad, Het Paleis van Justitie dat minutieuze beschrijvingen gaf van alles wat toen niet door de beugel kon en nu nog niet.

“Waarom doe je dat?” vroeg ik.

Hij glimlachte vriendelijk. Hij heeft een gezicht als van iemand uit een roman van J. van Oudshoorn. “Het voordeel van dit proza”, zei hij, “is dat het nauwkeurig is. Je weet dat Stendhal, voor hij ging schrijven, altijd een paar pagina's uit Napoleons burgerlijk wetboek, de Code civil las. Stendhal was, als we dat zo modern kunnen zeggen, de kampioen van de simpele stijl. Bewust. Op die manier wilde hij schrijven: in un style simple. Geen barok, geen franje, geen guirlande, en dus geen misverstanden. De grootste fout die een proces verbaal kan behelzen is dat er een misverstand in wordt gewekt. Daarom is het proza van agenten en rechters zo mooi - als het goed is. Ik vind het een buitenkans als op de televisie, kort na het misdrijf een agent ter plaatse een zogenaamde korte verklaring aflegt. Behoedzaam, nauwkeurig, zonder een spoor van literaire pretenties. Zoals hij het op de politieschool heeft geleerd. Het is alsof hij uit zijn brein een pagina voorleest van het proces verbaal dat hij straks gaat schrijven. Het proza van heel wat Nederlandse auteurs zou erop vooruitgaan als ze een kwartaal aan de politieschool gingen studeren.” Welke auteurs hij bedoelde wilde hij ook na aandringen niet zeggen.

“Heb je The Economist van deze week gelezen?” vroeg hij.

“Tuurlijk!”

“Daar staat een verhaal in over de toenemende grofheid, het gebrek aan goede smaak van de Britse toneelschrijvers. Alsof ze op het gebied van stank om een plaats in het Guiness Book of Records vechten. Vroeger moesten de mensen lachen als de acteurs elkaar een taart in het gezicht smeten. Tegenwoordig is een klodder DNA het minste, zal ik maar zeggen. Mij hindert het niet, maar de schrijver van dat verhaal vindt dat het op zo'n manier met de satire de verkeerde kant op gaat. Het staat er niet met zoveel woorden; ik vat het samen. De Fransen zeggen: als je de duivel met make-up besmeert wordt hij bleker. En nu de reden waarom ik je The Economist noem. Die zegt dat als het om DNA en zulk soort dingen gaat, de satirici van vandaag een tegenstander ontmoeten die niet te verslaan is: Bill Clinton in de Monica Lewinsky affaire. We zijn het er allemaal over eens dat wat die lui hebben uitgespookt niemand iets aangaat en tegelijkertijd is kijken een dwang. Compulsery viewing, dat staat er. Dwangmatig kijken, zo vertaal ik het in dit verband. Je kunt je er niet aan onttrekken. Of jij wel?”

Ik moest toegeven dat ik de zaak ook zoveel mogelijk op de voet volgde, al was dat nu, bij gebrek aan CNN veel moeilijker geworden. “Maar”, zei ik, “het gaat er tenslotte om dat voor onze ogen de machtigste man van de wereld wordt gesloopt. Zo'n menselijk en politiek drama beleven we in dit millenium niet meer. Dat gaat toch boven het gemiddelde proces verbaal in een zedenzaak uit.”

“Ik heb me natuurlijk meteen een schotel aangeschaft. En zo heb ik op CNN live kunnen zien hoe die twee vrachtwagens - vrachtwagens! - bij het Capitol kwamen voorrijden. Zware politiebewaking! Die vrachtwagens kwamen niet van Fort Knox (waar zoals je weet het Amerikaanse goud wordt bewaard) maar langs de kortste weg van Kenneth Starr. Het uitladen begon: 36 dozen, een rapport van 280 pagina's. Allemaal proces verbaal waarschijnlijk, in de mooiste verbaaltaal opgeschreven! Die Starr kun je vertrouwen. Een uitstekend jurist.” Hij keek even dromerig uit het raam. “En dat compulsery viewing van The Economist is nog maar het begin. Dat wordt verplicht lezen als je met je tijd wilt meegaan. Zes-en-dertig dozen vol.”

“Denk je dat we het hele verbaal te lezen krijgen?” vroeg ik.

“Maar natuurlijk! Het kan een paar maanden duren, maar let op mijn woorden: vóór 1 januari 1999 ligt het beste in de winkel. En terecht, want dat is een literair belang. De rest komt vanzelf. Nu wordt Kenn Starr nog beschouwd als een aanklager, een jurist. Maar hij gaat de geschiedenis in als een groot schrijver. Vrachtwagens vol prachtig proza laat hij na. Er zijn er niet veel die hem dat nadoen.”

Voor mij was het een nieuwe zienswijze. Er zit iets in. Haal je je Starr voor de geest, dan zie je iemand die minzaam glimlacht en bescheiden nog half zijn hand opsteekt voor hij in de auto stapt. Nooit horen schreeuwen, geen triomf bij voorbaat, geen I'm the greatest!, niet twee armen in de lucht, maar wel de winnaar (op alle fronten).