De klank in zijn ruige, oorspronkelijke staat: De revolutionaire muziek van Edgard Varèse

'De ergste muziek ter wereld' werden de composities van Edgard Varèse genoemd, de oervader van de elektronische muziek. Zij revolutionaire oeuvre is onlangs op cd verschenen.

“Mr.Sam Goody is zo'n gewiekste platenverkoper, dat hij er zelfs in slaagt om Ionisation van Edgard Varèse aan de man te brengen. Niets dan drums, dissonant en verschrikkelijk, echt de ergste muziek ter wereld.” Toen begin jaren vijftig het oog van de jeugdige Frank Zappa op deze regels in Look Magazine viel, was zijn muzikale interesse meteen gewekt. Bij de lokale platenzaak, in een stoffig stadje in California, bleek men één, reeds grijsgedraaid exemplaar van dit album voorradig te hebben. Het had dienst gedaan bij de demonstratie van hifi-sets. De 'industriële herrie' was echter niet bepaald verkoopbevorderend gebleken, dus mocht hij de LP tegen een gereduceerd tarief overnemen. De hillbillies in Cucamonga waren zeker niet de enigen, die de muziek van Edgard Varèse (1883-1965) aanvankelijk niet op haar waarde wist te schatten. Netzomin als Zappa (1940-1994) niet de enige popicoon of avantgardecomponist zou worden, voor wie Varèse een wegbereider en belangrijk voorbeeld is geweest. Hij geldt als de oervader van de electronische muziek, een terrein dat zich inmiddels uitstrekt van housende gabbers tot de meest erudiete musique concrète. Reeds in 1906 droomde Varèse samen met Ferruccio Busoni van geluiden die door middel van electriciteit konden worden voortgebracht en gemanipuleerd. Zijn gedachten waren de stand der techniek altijd een paar stappen voor, wat een permanente frustratie bij het realiseren van zijn plannen teweegbracht.

Het Poème électronique, dat hij in '58 samen met architect Le Corbusier voor het Philips-paviljoen op de wereldtentoonstelling in Brussel maakte, komt op ons wellicht over als een voorzichtige, ietwat hulpeloze aanzet tot een videoclip. De soundtrack, zwanger van zaagtonen en bliep-bloep geluidjes, heeft iets van een proefaflevering van Startrek. Dr. Spock test de apparatuur nog even uit. Bij verschijnen stond men echter in de rij voor deze revolutionaire synthese van beeld, geluid en ruimte. Meer dan vierhonderd luidsprekers waren door het paviljoen heen opgesteld en lieten de muziek een zorgvuldig geënsceneerd traject afleggen, dat de architectonische vorm van het bouwwerk benadrukte.

De langspeelplaat waarvoor Mr.Goody destijds zo'n warm pleitbezorger was, The Complete Works of Edgard Varèse, Volume I, werd uitgebracht door Elaine's MusicStore. Van een Volume II is het nooit meer gekomen, omdat dit tamelijk obscure label al snel ter ziele ging. Dit gemis is thans met terugwerkende kracht goedgemaakt door een hernieuwde uitgave van Varèse's oeuvre door Decca. Het betreft een gezamenlijke inspanning van het Koninklijk Concertgebouworkest en het al minstens zo soeverein musicerende ASKO-Ensemble. Het project ontstond vanuit de gedeelde fascinatie voor Varèse's muziek van chefdirigent Riccardo Chailly en Willem Hering, artistiek leider van het ensemble.

Aan het complete werk van Varèse zal men zich geen breuk tillen; zestien stukken, met een gemiddelde lengte van minder dan tien minuten. Het onverschrokken, radicaal vernieuwende karakter van de muziek maakt beluistering van deze dubbel-cd echter tot een overrompelende en zinnenprikkelende gebeurtenis.

Vrij

Varèse's muzikale zoektocht ving aan in de compositieklas van Charles-MarieWidor (1844-1937), in zijn geboortestad Parijs. Uit deze periode stamt zijn oudst bewaard gebleven werk, Un Grand Sommeil Noir (1906) voor sopraan en piano. Na zijn aankomst in Berlijn, waar hij meende meer erkenning voor zijn muziek te vinden, sluit hij vriendschap met de componist en muziekessayist Busoni (1866-1924). Diens gevleugelde uitspraak 'vrij is de toonkunst geboren en vrij te worden is haar doel', wordt door Varèse tot een credo verheven. Hij wilde komen tot een muziek die radicaal brak met het verleden, sans nostalgie moderne. Muziek als georganiseerd geluid. Varèse wil klank in zijn ruige, oorspronkelijke staat oproepen. Klankkleur gaat in zijn muziek een steeds belangrijker rol spelen. Ionisation (1929) is de eerste compositie voor percussie-ensemble in de muziekliteratuur. De grote vorm van het stuk bestaat uit de geleidelijke verandering van de samenstelling van het instrumentarium van de dertien slagwerkers. Via overwegend houten en met vellen bespannen percussie-instrumenten, verkleurt de muziek naar een meer metaalachtig geluid: gongs, bekkens en tamtams.

De partituur mondt tenslotte uit in grommende pianoclusters en priemende akkoorden in het glockenspiel. Het meest karakeristiek aan Ionisation zijn de loeiende sirene's, die de secties binnen het stuk afbakenen. In deze context hebben ze niets klaaglijks of alarmerends, maar illustreren op treffende wijze de bevrijding van het geluid.

In december 1915 vertrekt Varèse naar de Verenigde Staten, waar 118 Sullivan Street in Manhattan tot aan zijn dood zijn thuisbasis zal vormen. Een vrij wijdverbreide misvatting is dat hij na zijn emigratie een groot deel van zijn jeugdwerk uit onvrede zou hebben vernietigd. In werkelijkheid had hij zijn spullen en partituren ondergebracht in een opslagruimte in Berlijn, die tijdens een politieke revolte door brand werd verwoest. Een ander stuk, Les Cycles du Nord (1912) ging verloren in de post. De dag nadat hij het verzond aan Béla Bartók, brak de Eerste Wereldoorlog uit.

Bourgogne, een orkestwerk uit 1908, is het enige stuk dat hij, gekweld door depressie, eigenhandig in het haardvuur heeft doen verdwijnen. Maar dit stuk is onder andere in 1910 uitgevoerd in Berlijn, onder leiding van Richard Strauss en zou met de nodige research wellicht nog te achterhalen zijn.

Fanatiek

Liefst zeventien stukken, een verdubbeling van het huidige oeuvre dus, zouden op dergelijke wijze op een fanatieke Varèse-vorser kunnen liggen wachten. Zo iemand zou erop uit moeten, oude jute postzakken in Hongarije nog eens voor de zekerheid leegschudden. Maar nee. Professor Chou Wen Chung, volgens de cd-hoes de World Authority on Varèse zit thuis. Dat wil zeggen: het voormalige huis van Edgard en Louise Varèse in Sullivan Street. Olijk blikt hij op de foto vanachter het bureau om zich heen door de werkkamer, Varèse's werkkamer. Ooit had hij daar, eind jaren veertig, timide op de deur geklopt om te vragen om compositieles, zonder dat hij geld had om daarvoor te betalen. Nu komt het grote en drukbezette componisten wel vaker handig uit om een assistent tegen kost en inwoning tot hun beschikking te hebben. Zolang de maestro in leven is, zijn de taken eenvoudig: je geeft de planten water en volbrengt alle vervelende karweitjes in de orkestratie. Verder volstaat een opbeurend gesprek, of een bemoedigende vingerwijzing naar reeds behaalde successen, als het genie eens gekweld wordt door creatieve constipatie. Maar zodra de grote toondichter komt te overlijden, wordt diens assistent automatisch de belangrijkste beheerder van zijn muzikale nalatenschap. Hij weet tenslotte waar alles ligt. Stravinsky had zijn zaken, met de strenge en eerbiedwaardige Robert Craft, buitengewoon goed geregeld. Bij Varèse ligt het wat gecompliceerder.

Het is op zich nog wel te verteren dat een onvoltooid gebleven stuk alsNocturnal (1961) door Chung wordt gecompleteerd aan de hand van hier en daar slechts half uitgewerkte schetsen. Een opgelapt stuk van Varèse is nog altijd beter dan helemaal niets. Merkwaardiger wordt het al met Tuning Up, het stuk waarmee de cd opent. Dit is namelijk helemaal geen Varèse, maar een recentelijk door Chung samengestelde collage van Varèse-fragmenten uit reeds bestaande stukken en schetsen.

Muziek met een laag Varèse-gehalte dus. Chung wordt bezeten door een onstilbare redigeerdrift en wil overal met zijn vingers aanzitten. Het zou een overweging kunnen zijn om gewoon uit te gaan van de partituren die Varèse gebruikte voor het dirigeren van zijn eigen werk. Of om een onvoltooid gebleven werk ook eens in ongeretoucheerde staat uit te voeren, zolang de gaten maar niet groter worden dan de kaas. Hoewel, het zou iedere glans ontnemen aan de carrière van professor Chung. Hij heeft Varèse nodig. In zijn eigen composities, verschenen op de cd Echoes from the Gorge, geeft hij blijk van het meest druilerige academisme, dat iedere neiging tot frivoliteit resoluut de kop indrukt.

Onverteerbaar

Ronduit onverteerbaar is het dat Chung ook aan geschiedvervalsing doet, door Varèse's Etude pour 'Espace' (1946) hardnekkig in een bureaula in Sullivan Street verstopt te houden. Zijn bewering is dat het een onaf stuk betreft, waar Varèse niet tevreden over was. De thans 90-jarige Amerikaanse componist Elliott Carter heeft het stuk daarentegen in februari '47 in New York, op een door Varèse gedirigeerd concert horen uitvoeren en er na afloop met hem over gesproken. Het is zijn overtuiging dat het om een kant en klaar uitvoerbaar stuk gaat. Nu ontbreekt het op de cd, evenals La Procession de Verges, uit 1955.

Het moment waarop adoratie omslaat in dweepzucht, alvorens het zich vermengt met eigenbelang, is nooit met zekerheid te bepalen. Wel zie ik voor me hoe de Chungs, nadat ze zich van het huis meester hadden gemaakt, als bezetenen alles uit gingen proberen. Eerst het broodrooster, de sigaren en Edgard's scheerkwast, rennen door de gang en toen in bad. De behaaglijke sensatie van je tenen te krullen in de pantoffels van een grootheid. Totdat de eerste slijtageplekken zich begonnen te vertonen en ze zich de museale waarde van hun parafernalia gingen realiseren.

Het is dus misschien nog mogelijk dat er over enige decennia de noodzaakontstaat om te komen tot een nieuwe en herziene Complete Werken. Men zal er dan hard aan moeten trekken om de uitvoeringen van het Concertgebouworkest en het ASKO-Ensemble te evenaren, laat staan te overtreffen. Riccardo Chailly heeft een hoorbare affiniteit met de muziek van Varèse en zet de geweldadige klankexplosies messcherp en meedogenloos neer. Hoewel Varèse verder verwijderd staat van de Europese traditie dan al zijn tijdgenoten, leunt zijn muziek toch sterk op geste en emotionele lading. Dienovereenkomstig hoort het gespeeld te worden. Zijn instrumentale stukken zijn veruit het krachtigst. In de electronische muziek ontbreekt het hem niet aan ideeën, maar aan voldoende visie om deze overtuigend te verwezenlijken. Dit heeft niet alleenmaar met de stand van de techniek in die dagen te maken. Andere electronischemuziek-pioniers, zoals Karlheinz Stockhausen met zijn Gesang der Jünglinge(1956), vond wel muzikale wegen om de mogelijkheden van de nieuwe technieken uit te buiten. Voor Varèse was de electronische muziek geen doel op zich, maar slechts een potentiëel wapen in zijn bevrijdingsstrijd van de klank. Als op de cd, na de schuchtere onhandigheid van het Poème électronique, het orkestrale meesterwerk Arcana (1927) met een verpletterende gedecideerdheid uit de luidsprekers dendert, dan weet je het meteen: hier wordt met scherp geschoten. Varèse: The complete works door het Kon. Concertgebouworkest en het Asko Ensemble o.l.v. Riccardo Chailly. Decca 460 208-2 (2 cd)

Een opgelapt stuk van Varèse is nog altijd beter dan helemaal niets

Riccardo Chailly heeft een hoorbare affiniteit met deze muziek