De heer, zijn vrouw en de Boeren

Sol T. Plaatje: Mhudi. Uit het Engels vertaald door Barbara de Lange. Podium, 221 blz. ƒ 35,-

Probeer nooit de sterren te tellen, daarmee roep je onheil af over je stam. Ook het kijken naar apen kun je maar beter vermijden. En wie wil zien hoe de zon 's nachts van het westen weer terug naar het oosten reist, zal dat met de dood moeten bekopen. Het zijn maar een paar van de Barolong-wijsheden die de Zuid-Afrikaanse schrijver en activist Solomon Tshekisho Plaatje (1876-1932) in zijn roman Mhudi heeft verwerkt. Plaatjes oorspronkelijke ondertitel, 'An Epic of South African Native Life a Hundred Years Ago', geeft kernachtig de inhoud en ambitie van het werk weer: zijn epische vertelling biedt in de eerste plaats een verslag van de inheemse cultuur en geschiedenis voor latere generaties.

Plaatje, zelf van Barolong-afkomst, staat in Zuid-Afrika voornamelijk bekend als een prominent activist. Na een carrière als tolk en journalist werd hij in 1912 secretaris-generaal van het South African Native National Congress (de voorloper van het ANC), waarvoor hij tal van protestdelegaties naar het buitenland leidde, en politieke werken schreef als Native Life in South Africa (1916), over de zeer onrechtvaardige Landwet van 1913. Daarnaast produceerde hij ook nog een woordenboek van het Setswana, een bloemlezing van inheemse spreekwoorden, en vertaalde hij een aantal stukken van Shakespeare. Met Mhudi werd hij de eerste zwarte auteur van een Engelstalige roman in Zuid-Afrika.

Mhudi is gebaseerd op de historische gebeurtenissen van de jaren dertig van de negentiende eeuw, de periode dat de eerste Boeren onder leiding van Cilliers en Potgieter de Oranjerivier overstaken. Het boek opent wanneer het Barolong-volk, schatplichtig aan de eerzuchtige Matabele-koning Mzilikazi, twee van diens belastinginners vermoordt. Bij wijze van vergelding slachten de Matabele met hun assegaaien nagenoeg het hele volk af. Eén van de overlevenden, het meisje Mhudi, ontmoet tijdens haar vlucht een jonge man van haar stam, Ra-Thaga. Ze trouwen en leven een paar jaar samen in de wildernis, maar voegen zich uiteindelijk na veel avonturen en ontberingen bij de andere overlevenden in Thaba Nchoe. Wanneer daar de eerste Voortrekkers arriveren, wordt een coalitie gesmeed om de Matabele te verdrijven.

Plaatjes roman is niet alleen episch wat betreft het onderwerp - een oorlog waar het lot van meerdere volkeren van afhangt - maar ook zijn stijl doet soms episch aan. Bepaalde archaïsche formuleringen en plechtstatige dialogen doen het verhaal veel ouderwetser klinken dan je zou verwachten van een roman die voltooid werd in 1920. Deels komt dit ook doordat Plaatje, naar goed episch gebruik, veel oudere orale elementen in zijn verhaal verwerkte. Daarmee roept hij soms een haast tijdloze sfeer op; een dissidente spreker op een Matabele-krijgsraad bijvoorbeeld lijkt zo weggelopen uit de Ilias.

Daarnaast gebruikte Plaatje zijn historische plot om zoveel mogelijk informatie over de leefwijze en cultuur van de inheemse bevolking in de roman te stoppen. Dit levert een aantal van de boeiendste passages op, over uiteenlopende zaken als kooktechnieken, inwijdingsrituelen, kleding en haardracht, bijgeloof, medicijnmannen en machtsverhoudingen. Opvallend in dit verband is de prominente plaats van vrouwen in het boek, en de zeer belangrijke rol die ze vervullen bij zowel de Barolong als de Matabele.

Mhudi, en niet haar man Ra-Thaga, is de hoofdpersoon van Plaatjes verhaal. Zij wordt bovendien afgeschilderd als duidelijk intelligenter en moediger dan haar echtgenoot. De Matabelekoning Mzilikazi beschouwt zijn lievelingsvrouw Oemnandi als de hoeksteen van zijn troon, verantwoordelijk voor het succes en de hoge status van zijn hofhouding, en hij wijt zelfs de ondergang van zijn rijk aan haar mysterieuze verdwijning. Nog opmerkelijker is het verhaal van een echtscheidingszaak in Thaba Nchoe, waarin de Barolong, na eerst de vrouwonvriendelijke opvattingen van de Boeren te hebben aangehoord, tot een buitengewoon verlichte uitspraak komen.

Het duurde tot 1930 voordat Mhudi werd uitgegeven, door een drukker van zendingsliteratuur die het werk 'aanpaste' en voorzag van flink wat stichtelijke toevoegingen (de originele versie werd pas in 1978 voor het eerst gepubliceerd). Een belangrijke reden hiervoor was waarschijnlijk de onderhuidse maar niet mis te verstane kritiek op de Boeren in de roman. Zo wordt bijvoorbeeld Potgieters hebzucht bij de onderhandelingen over de verdeling van de overwonnen gebieden onverbloemd uit de doeken gedaan, evenals de wrede houding van de Boeren tegenover hun zwarte bedienden, en het geweld waarmee ze zelfs hun eigen kinderen kastijden. Mhudi, die daar getuige van is, moet in tegenstelling tot haar man niets van de Boeren hebben. Zoals elders in Plaatjes verhaal blijkt ook hier haar intuïtie weer juist.

Het is ongetwijfeld geen toeval dat Plaatje zijn 'Epic of South African Native Life' liet eindigen juist vóórdat deze vorm van 'Native Life' onherroepelijk verloren zou gaan. Hij verwoordde de consequenties voor de inheemse bevolking van hun coalitie met de Boeren in de omineuze gedachten van koning Mzilikazi na zijn nederlaag: 'De Betsjoeana zijn dwazen als ze denken dat deze onnatuurlijke Kiwa's [blanken] hun zogenaamde vriendschap met eerlijke vriendschap zullen beantwoorden. . . . ze hebben alle gelach van vandaag nodig voor het moment waarop hun verlossers hun dezelfde bittere medicijn zullen toedienen die ze mij hebben bereid.'