De afdeling jong & brutaal: Nieuwe kunst in Amsterdam

Veel jonge kunstenaars hebben het over zichzelf en vooral over hun seksleven, viel Pam Emmerik op bij een rondgang langs de Amsterdamse galeries bij de opening van het seizoen: “Het is niet schokkend om te zien, niet boeiend, niet geestig of mooi. Het stemt ook niet tot nadenken.” Maar soms is er iets dat de moeite loont, in of buiten de galeries.

Zaterdagochtendvroeg. Een stoplicht staat voor niemand op groen. Marktkooplui richten hun kraam in. Café's worden bevoorraad. De bakker ruikt naar brood. Een man laat zijn hondje uit langs de gracht. Hij lijkt de stront op straat meteen vergeten. Iemand veegt met vinnige uithalen de stoep. Een toerist met rode oogleden vraagt de weg naar het Anne Frankhuis. “Anne Frank is not home today” antwoord ik klassiek. In het Westerpark wacht een rillerige Viagraverslaafde potloodventer op zijn eerste bezoekster. Een man slaapt op een bankje, of is hij dood? Ik betwijfel of ik zo'n vieze vent mond op mond-beademing zou geven. Laatst zag ik op tv hoe een vrouw in Amerika een onderkoelde reuzenhagedis beademde. Sindsdien noemt iedereen haar hagedissenlipje en heeft ze moeite om een afspraakje te krijgen, vertelde ze. Zelf zou ik veel liever een zak vol jonge hondjes uit het water redden.

Zaterdagochtendlaat. In De Appel hangen de laatste vleugjes sigarettenbierdamp van de vorige avond nog in de lucht. De opening was een opening zoals openingen zijn. Drukbezocht & arrogant. Elkaar bekijken en soms even de kunst. Boven, waar de drank was, ontbrak de zuurstof. Mensen stonden met rode opgepompte hoofden te praten. Iedereen leek zichzelf leuk te vinden.

'Life is a bitch' heet de tentoonstelling met werk van Nobuyoshi Araki, Richard Billingham, Tracey Emin, Elke Krystufek, Tracey Moffatt en Ronald Ophuis. Heftige ervaringen, meestal uit hun eigen leven, vormen de motor van hun kunst. Richard Billingham laat een aantal uitvergrotingen van kiekjes zien die hij in zijn armelijk ouderlijk huis maakte. Zijn vader, Ray, is een alcoholist, zijn moeder een kettingrookster met overgewicht. Eén foto toont perfect hoe sluipend de verloedering iedereen aantast. Jason, de jongere broer van Billingham, zit aan een keukentafel. Het tafelblad zit vol vlekken, krassen, brandplekken. Er liggen twee aanstekers op, een pakje sigaretten, een blikje met een gat erin, vloeitjes, lucifers, tabakskruimels. Het beeld is in mist gehuld, opstijgend uit een bierblik dat waarschijnlijk gebruikt is om er hasj uit te roken. Daarom kijkt Jason zelf ons ook mistig aan. In 1996 publiceerde Billingham deze foto's als alternatief familie-fotoalbum in 'Ray's Laugh' en dat is ook veruit de beste manier om deze foto's te bekijken.

Mensen voor een stoplicht, stoplicht zonder mensen, mensen zonder stoplicht, huizen stationnetjes seksreclames strepen op de weg. Coca cola-automaten in de metro. Kat op plat dak. Wolkenluchten (de enige natuur in een stad), urinoirs. Een bubbelbad. En vooral veel meisjes en vrouwen, allemaal Japans. Naakt, vaak vastgebonden. Een schoolmeisje opgehangen als een kostbaar sieraad. 'Tokyo Comedy, 1997'. Tweehonderdtachtig kleine zwart-wit foto's, opgehangen in een aaneengesloten blok, tonen Nobuyoshi Araki's onderbuikse Tokio. Nu hangt de ene stad in de andere. In een interview zegt Araki over zijn werk: “Ik onderwerp mijn modellen aan agressieve erotische handelingen als vastbinden, bondage en pijnigen. Liefde vereist dwang! Ik dwing haar, zij reageert en dat is het moment dat ik de foto neem.” Toch worden de vrouwen in deze serie, hoewel er een aantal mooie foto's tussen zitten, door hun overvloed inwisselbaar en lijken niet zíj het onderwerp, maar Araki zelf. De beelden vormen een nogal egocentrisch zelfportret, zonder enige naspeurbare zelfkritiek op vorm of inhoud van zijn werk.

Bezopen

Dat laatste ontbreekt eveneens volledig bij Tracey Emin, jong en Brits en bezopen, maar misschien is dat meteen de voornaamste charme van haar werk. Tracey gooit alles er gewoon uit. Haar (seks)leven is haar kunst. Haar volgende tentoonstelling, in Tokio, gaat 'Mijn kut is nat van angst/ Nuchtere seks' heten. Er zal een bed te zien zijn, besmeurd met bloedvlekken, vol smerig ondergoed en met een streep stront op een kussen. Het filmpje in De Appel toont alvast in close-up de gore troep in haar huis. Liefhebbers noemen het ongetwijfeld een schokkend-ontroerend grotestadsbinnenhuisstilleven. In het interview opgenomen in de catalogus rebbelt Emin over haar zatte optreden in een tv-programma. En over andere domme dingen die ze soms stomdronken doet zoals het jasje van een vriend in stukken knippen omdat ze het niet mooi vond. Volgt een briljante vraag van de interviewer: “Maar dan hoefde je het toch niet in stukken te knippen?” Waarop Emin antwoordt: “Dat weet ik. Ik hoef alleen maar te zeggen: 'Eigenlijk vind ik je jasje niet mooi'.” Het heeft iets misdadigs om zulk treurig gedrag serieus te bespreken in een kunstcatalogus. Parasiteren op iemands zelfvernietiging, dat is het.

Nog verdwaasder zijn de zelfportretten van Elke Krystufek. Een wezenloze griet staart je aan van foto's en irritant slechte neo-expressionistische schilderijen. In een video gebruikt ze een courgette als dildo. (Dat het een courgette is en geen komkommer of augurk zie je aan het steeltje dat naar buiten steekt.) In, uit, in, uit... Het is niet schokkend om te zien, niet boeiend, niet geestig of mooi. Het stemt ook niet tot nadenken. Er is gewoon geen ruk aan.

Van een totaal ander kaliber zijn de films van Tracey Moffatt. Night Cries, uit 1989, is een korte film die in geheimzinnige, fraai gestileerde beelden verhaalt van de relatie tussen een oude blanke vrouw en een jongere, aboriginal vrouw die haar dochter blijkt te zijn. Op de achtergrond speelt de racistische Australische werkelijkheid waarin aboriginalkinderen bij hun ouders werden weggehaald om door blanke gezinnen te worden opgevoed dreigend mee. “You may write me down in history/ With your bitter twisted lies/ You may trod me down in the very dirt/ And still like the dust I'll rise/ Does my happiness upset you/ Why are you best with gloom/ Cause I laugh like I've got a goldmine/ Diggin'up in my living room (I'll rise, I'll rise, I'll rise)” schreef Maya Angelou in een lied, gezongen door Ben Harper. Die onderstroom van kracht, humor en zelfbewustzijn zie je terug in Tracey Moffatts werk. Bij Bedevil, een film van speelfilmlengte, breekt de omgeving Moffatt helaas op. Een tentoonstellingszaal waar voortdurend mensen in en uitlopen, waar slechts één bankje staat en waar de akoestiek maakt dat je niets kunt verstaan en waar bovendien ook nog geluiden van een andere installatie naar binnen sijpelen, voldoet niet aan de voorwaarden om je op het werk te kunnen concentreren. Bedevil hoort thuis in een bioscoop.

Van Ronald Ophuis hangen er naast schilderijen ook tekeningen van schietende negers die met veel quasi-expessionistische omhaal zijn geschilderd. Na het fenomeen van de miskraam intensief bestudeerd te hebben schijnt hij nu demente bejaarden- en concentratiekamp-scènes voor te bereiden. Misschien is het een ideetje om voor een multi-sensationeel effect een soort medley te maken van een groepsverkrachting én moordende negers én een bloederige miskraam én kwijlende bejaarden, natuurlijk in een fraaie Auschwitz-achtige setting. Opschudding verzekerd.

Rubenslady's

Zaterdagmiddaglater. Surinaamse Rubenslady's spoeden zich met leggingworstdijen naar de Albert Cuijp. Jongens hebben gouden nekken. Meisjes shoppen duogeconcentreerd. Iedereen maakt tempo, eet fel, morst op straat. Uitlaatgassen vermengen zich met frietdamp en Fa'sjong-scheten. Bijna iedereen draagt oorlogszuchtig versierde drakendodersschoenen.

Op de Stadhouderskade laten de Ateliers, een postacademische kunstopleiding, in hun eigen gebouw een selectie uit de oogst van de afgelopen vijf jaar zien. In de ontruimde ateliers hangt en staat werk van elf mannelijke en drie vrouwelijke jonge kunstenaars. Hier geen bijtende commentaren op het leven, maar uitgebalanceerde, goedgemaakte kunstwerken. Zoals de krachtige tekeningen van Rosemin Hendriks, grote heldere zelfportretten in potlood en conté. Of de landschappen van Robert Zandvliet, die laat zien dat je met bijna niets nog steeds overtuigend een hele wereld tevoorschijn kan toveren. Van Matthew Monahan hangen er een aantal grote, langwerpige werken op papier waar steeds één figuur op staat. De figuren zijn opgebouwd uit allemaal kleine elementen, streepjes, vegen, krassen, arceringen. De tekeningen zijn steeds in de lengte gespiegeld, als bij een Rorshachtest. Het werk roept een rijkdom aan associaties op; het heeft iets science fiction-achtigs, doet denken aan Afrikaanse kunst, barokke anatomietekeningen, geestverschijningen, spirograaftekeningen, geharnaste drakendoders.

De afdeling jong & brutaal wordt bij Ateliers bevolkt door David Powell, Sands Murray en Maria Pask. Zij spelen zelf de hoofdrol in hun werk. Powell maakte ondermeer een installatie waarin op de ene wand metershoog een Teleac-cursus gitaarspelen geprojecteerd wordt met op de tegenoverliggende wand een close-up van iemand die dat klunzig probeert na te doen. Sands Murray babbelt beschaafd een CD vol met oninteressante mededelingen over zijn leven en pogingen de kunstwereld binnen te komen, of toont zijn warming-up oefeningen op een voor de gelegenheid artistiek op z'n kant afgespeelde video. Het vervelendst is Maria Pask. Vorig jaar waren tijdens het World Wide Video Festival een paar video's te zien in Stedelijk Buro Amsterdam. Voor die tentoonstelling leverde ze een eigenaardig CV in dat een opsomming van haar ziektegeschiedenis behelsde in plaats van tentoonstellingen en projecten. Ik kwam te weten dat ze een knieoperatie heeft gehad op haar zevende, twee jaar anorexia (beetje kort), een baarmoerderontsteking en een verlamming aan haar benen veroorzaakt door een virus. Hiervoor volgde ze 'Hot water therapy'. Liefhebbers zullen zeggen dat Pask op deze wijze laat zien dat eenieder vele biografiën heeft (ziekte/liefdes/familie/kunstgeschiedenis etc.) maar ik vind het erg flauw, zo'n opsomming. Nep-gedurfd.

Nepnagels

Op de Ateliers-tentoonstelling is van Maria Pask een video te zien waarin ze eindeloos lang nepnagels opplakt, een video-installatie waarin ze iets in haar handen klemt (ook na lang turen wordt niet duidelijk wat ze vasthoudt, ik heb het de suppoost gevraagd en die wist het ook niet) en een installatie met drie manshoge spiegels, in kaptafel-opstelling, waarop beelden geprojecteerd worden, steeds opnieuw, van Pask liggend op haar rug in haar nakie. Ze kijkt de toeschouwer guitig aan. De camera glijdt over haar lichaam naar beneden, en surprise surprise, haar hoofd verschijnt opnieuw, nu in befhouding hangend boven haar eigen schaamhaar maar ze kijkt niet naar haar kut maar naar de toeschouwer, met weer zo'n guitige blik die je bijna doet terugverlangen naar de botte smakeloosheid van Emin en Krystufek. Ik hoop niet dat dit werk gaat over het naakt dat terugkijkt - zie Manet - want dat zou me een appelflauwte bezorgen (natuurlijk mede veroorzaakt door mijn codeïneverslaving zeven jaar geleden en aangewakkerd door mijn junk-achtige bloedsuikerspiegelschommelingen die terug te voeren zijn op ontbijt overslaan in mijn puberteit, privé-nachtleven en matineuze overgevoeligheid.)

Als je een portret schildert van iemand blijft er rondom het lichaam van de figuur ruimte over, de restvorm. Bij een slecht schilderij dringt die vorm zich vaak naar voren, de kunstenaar heeft het probleem van de overgang van de persoon naar de omringende ruimte technisch niet weten op te lossen. Markus Lüpertz heeft dat ooit eens geestig aanschouwelijk gemaakt door in de restvormen spookjes te schilderen. Voor wie de stad doorkruist om tentoonstellingen te bekijken is de stad tussen de exposities eigenlijk ook een soort restvorm die zich aan alle kanten opdringt.

Van Bas Meerman hangen in de mooiste ruimte van de tentoonstelling in de Ateliers een aantal schilderijen waarin dat probleem telkens perfect wordt opgelost. Het zijn voorstellingen van negers en boksers. Op de schilderijen waarop figuren driekwart staan afgebeeld loopt een dun licht lijntje langs de donkere dij van een neger en maakt de overgang naar de eveneens donkere achtergrond soepel mogelijk. Een gedeeltelijke, brutale overschildering van een zwarte figuur die een stukje verplaatst werd. Twee koorden achter een bokser die de achtergrond in vlakken breken. Knap hoe Meerman inhoudelijke geiligheid, verlangen naar het lichaam van een ander, het aftasten met je ogen van dat lichaam, weet om te zetten in sensueel schilderen.

Black is beautiful kun je overal op affiches van HIJ in de stad lezen. Er staat een fraaie kaalgeschoren neger op afgebeeld met een breed naakt bovenlijf en een zwarte broek aan. Laatst zat ik in de tram, lijn 2. Er stapte een mooie zwarte man in met mooie zwarte vlechten en mooie zwarte schoenen, mooie zwarte alles. (We hadden oogcontact. Ik was dat meisje met dat korte rode haar en die lange zwarte leren jas, jij knipoogde naar me. Toen je uitstapte zei je gedag. Dat mijn bloesje zover openstond was per ongeluk.) Oplettende krantenlezers kunnen morgen mijn advertentie in de rubriek 'Oproepen' lezen: 2-9 12.15 trm. 2 m. mt. rd. hr. l. ler. js. zg. m. zw. m. m. vl. ....Schr!!!!! Een beetje afkorten moet, anders wordt het zo duur.

Zaterdagavondlaat. Thais gegeten. Café's worden leeggepompt in de magen van mensen. Mensen praten, mensen kwijlen. Hoeren krijgen bezoek. Een uitgeholde man fluistert 'fietsiekopen' in mijn nek. EK olieworstelen, lees ik op een affiche met een glimmend naakt Turks torso. Een straatmuzikant zonder Teleac-cursus snerpt op een fluit. Er wordt te weinig lesbisch gezoend op straat. Door de Prinsengracht vaart een kayak met een lichtje achterop. Soms denk ik dat de werkelijkheid een verhevigde vorm van kunst is, in plaats van andersom.

Life is a bitch, De Appel 4 sept t/m 25 okt, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam. Di-zo 12 tot 17u Morningglory, de Ateliers 1993-1997 4 sept t/m 20 sept, Stadhouderskade 86, Amsterdam. Dagelijks geopend van 12-18u

Liefhebbers noemen de troep van Tracey Emin ongetwijfeld een schokkend-ontroerend grotestadsbinnenhuisstilleven

Ook na lang turen wordt niet duidelijk wat ze vasthoudt, ik heb het de suppoost gevraagd en die wist het ook niet