Alle macht aan de personages: Fouad Laroui over 'De quel amour blessé'

Fouad Laroui: De quel amour blessé. Julliard, 148 blz. ƒ 46,85 In een uitdagende en humoristische stijl schreef Fouad Laroui een roman over een gedwarsboomde liefde in Parijs. “Ik wilde het thema van de tolerantie ook illustreren met de vorm van mijn roman,” zegt de 40-jarige auteur, die zich zelf omschrijft als 'een in Marokko geboren, franstalige, intellectuele nomade met een Nederlands paspoort.'

'Mijn boek is een ode aan de tolerantie. Iedereen moet beseffen dat verdraagzaamheid misschien wel een fait accompli is in West-Europa, maar dat dat zeker niet geldt voor de rest van de wereld. Het is onze taak, als intellectuelen afkomstig uit Noord-Afrika, ervoor te zorgen dat ook de islamitische landen verdraagzamer worden. Iedereen moet er iets aan bijdragen, ook al zal het nog wel even duren voordat de tolerantie daar een feit is.'

De quel amour blessé, het deze zomer verschenen, tweede boek van de in Marokko geboren en in Amsterdam wonende Fouad Laroui (1958) is een bijzondere, verrassende roman, een 'conte philosophique', vol humor, over de liefde tussen een Arabische jongen en een joods meisje in het elfde arrondissement van Parijs. Deze liefde roept bij beide families heftige, emotionele weerstand op - resultaat van duizenden jaren haat en vijandschap. Vrienden en verwanten mengen zich in het conflict dat door racisme, bijgeloof en politiek op de spits wordt gedreven en uiteindelijk zelfs tot een moord leidt.

“Het is een onderwerp waarmee je in die samenleving per definitie een schandaal verwekt,” aldus Laroui. “Mijn eerste roman, Les dents du topographe, ging over identiteit. De hoofdpersoon is een Marokkaanse jongen in Frankrijk die zich afvraagt of hij nu Marokkaan of Fransman is. Mijn tweede boek gaat over tolerantie en mijn volgende boek - ik schrijf een trilogie - zal over het individu gaan. In Europa bestaat het begrip individu dankzij de Verlichting, maar in Afrika definieer je jezelf als lid van een familie, een stam, een volk of een commune. In je denken en je handelen volg je het algemene gevoel. Als Tutsi dood je dan een Hutu of andersom. Maar als je beseft dat je in de eerste plaats een individu bent, met je eigen kwaliteiten en eigenschappen, dan neem je afstand van het intolerante, het irrationele.”

Zelf is Laroui geen Fransman, ondanks het feit dat hij in Marokko naar een Franse school ging, Frans als zijn moedertaal beschouwt en zijn titels van civiel ingnieur en doctor in de economie aan twee prestigieuze Franse grandes écoles behaalde. Als wetenschapper verbonden aan universiteiten in York, Versailles en Amsterdam voelt hij zich eerder een 'in Marokko geboren, franstalige, intellectuele nomade met een Nederlands paspoort'. De culturele referenties in zijn literaire werk zijn universeel, verwijzen naar Argentijnse, Italiaanse en Tsjechische auteurs, maar verraden ook Arabische en Franse invloeden. “Schrijven is voor mij altijd een hobby geweest, iets voor in de avonduren,” zegt Laroui in prachtig Nederlands met een licht Franse tongval, “maar wel één die ik serieus neem. Het manuscript van mijn eerste roman kwam onder het stof vandaan bij mijn verhuizing naar York. Ik heb in de bibliotheek van het Maison Descartes wat adressen van Franse uitgevers opgezocht en tot mijn verbazing werd mij binnen drie weken een contract aangeboden.”

Laroui's stijl is zonder meer vernieuwend te noemen - een uitdaging voor iedere goede vertaler. Hij schrijft op een ongedwongen, vrije manier, brutaal en uitdagend en beschikt over een vlijmscherpe humor, waar met name de Marokkaanse samenleving vaak het doelwit van is. Ronduit hilarisch is bijvoorbeeld zijn beschrijving van corrupte Marokkaanse politieagenten. Laroui gebruikt veel spreektaal en zijn boeken zijn doorspekt met argot of geheel verzonnen woorden, wat ze een prettig chaotisch karakter geeft. Hij citeert in zijn werk veelvuldig de door hem bewonderde Voltaire, Diderot en Descartes en schroomt niet daar vervolgens een Arabisch sprookje of een fikse knokpartij op te laten volgen. “Ik heb opgeschreven wat ik heb gezien, wat ik heb beleefd,” zegt Laroui, “net als Montaigne die wilde beschrijven wat hem was gebeurd en wat hij daarvan dacht. Dat verwacht ik van iedere schrijver, of hij nu uit Benin, Kazachstan of Argentinië komt. Zelf heb ik dat ook geprobeerd.”

Laroui is met André Breton van mening dat een boek in de eerste plaats gedragen wordt door de stijl, niet door de inhoud. “Ik wilde het thema van de tolerantie ook illustreren met de vorm van mijn roman. Niets moest worden opgelegd. Zelfs als auteur van de roman mocht ik de lezer geen verhaal opleggen. Daarom verandert het verhaal ook steeds. Het houdt op, personages protesteren tegen de verhaallijn en nemen de macht over. Er is niet één einde, maar twee. De uitgever intervenieert middenin het boek, evenals een kritische lezeres die de auteur beschuldigt van antisemitisme.” De nouveau roman schafte de alleswetende verteller af en Laroui bedacht een variant: de verteller wordt, tijdens het verhaal, 'afgezet' en gereduceerd tot personage.

Meer nog dan een gedwarsboomde liefde tussen twee jonge mensen is het met de Prix de la Méditerranée des Lycéens bekroonde boek een verhaal over de gekwetste liefde (l'amour blessé) van een vader voor zijn zoon. De vader van Jamal, de Marokkaan Abal-Khaïl, decennia geleden naar Frankrijk gekomen om er te werken, is ieder contact kwijtgeraakt met zijn zoon die in Parijs is geboren en opgegroeid. “Mensen zoals Abal-Khaïl heb ik vaak gezien,” aldus Laroui, “ook onder Marokkanen die als analfabeten naar Nederland zijn gekomen. Ze voelen zich hier niet thuis, maar in hun land van herkomst ook niet. Na hun pensioen weten ze niet waar ze naar toe moeten. In de loop van dertig jaar hard werken hebben ze in hun vaderland een groot huis kunnen laten bouwen, maar het zal leeg blijven, want al hun kinderen blijven in Europa. Met hen is ieder contact verbroken, omdat ze geen gemeenschappelijke taal spreken. Hun hele wereldbeeld, alle normen en waarden staan mijlenver uit elkaar. Die ouderen zijn alles kwijtgeraakt. Dat maakt hun situatie diep tragisch. Stel je maar eens voor dat je zoon in de puberteit zit, dat hij alleen nog maar Chinees praat en moreel gezien ook nog van een andere planeet komt!”