Toekomende tijd bestaat niet

De toekomende tijd is een dierbaar stukje jeugdtrauma. Begrijpen is een andere zaak. Wist onze meester waarom je hij zou gelopen hebben een voltooid verleden toekomende tijd noemde (v.v.t.t.), en geen voltooid tegenwoordig toekomende tijd (v.t.t.t)? Nee, want al die begrippen kwamen uit het latijn dat sinds de Romeinse tijd in heel Europa vereerd werd.

Toen West-Europeanen hun eerste moedertaal-spraakkunsten gingen schrijven, hebben ze die geknield naar latijns model vervaardigd. Geen wonder dat de meesten geen raad wisten met die gekke tijden. Gelukkig krijgen ze bijna nooit eigenwijze kinderen in de klas die weigeren te geloven op heilig latijns gezag.

We moeten dus het ketterse pad op: weg Rome, weg dogma, weg toekomende tijd - weg tijd zelfs. We laten een taalkundige uit Mars komen en die zegt: “Ik hoor een eerste hoofdvorm: ik loop (we lopen) en een tweede: ik liep (we liepen). Ik merk dat loop op een verleden kan slaan, op een heden en op een toekomst. Ik hoor duidelijk: gister loop ik op straat en daar zie ik ineens jullie Jan. Ik hoor ook: ik loop nu over de Breestraat. Ik hoor ook: volgend jaar loop ik beslist weer over de Breestraat.”

Onze Marsman constateert ook bij liep grappige dingen. Hij hoort een diep verlangen in: liep ik maar wat beter. Dat heeft met tijd niks te maken. Maar daarnaast heb je een verleden en dus wél een tijd in: gister liep ik nog als een kievit. Wat een prachtige taal, dat Nederlands. Jammer dat de oude spraakkunstenaars het zo verminkend beschreven hebben.

Dat hele gedoe met zal is hier dus overbodig. “Morgen ga ik naar Rotterdam. Volgende week om deze tijd ben ik terug. Dan kom ik nog even bij je langs.” Dát zeg je, en niet “Morgen zal ik ...”

Onderschat overigens zal niet. Het is belangrijk: “Ja, dat zal wel” (waarschijnlijkheid). “Je zúlt het doen” (bevel). “Je zult het wel zien” (toekomst).

Geef het vooral ook door aan de Spoorwegen. Wij, beproefde openbaar vervoerden, horen vaak mededelingen voor de reizigers: “De trein naar Leiden van 7.25 zal vandaag vertrekken van spoor 5.” Die trein mag z'n zal verliezen. Dus: “De trein naar Leiden van 7.25 vetrekt vandaag van spoor 5.”

De toekomst bestaat, maar niet de toekomende tijd, voltooid of onvoltooid, tegenwoordig of verleden. Maar wie luistert er naar een Marsman, als het over spraakkunst gaat?