Justus van Oel schreef scenario voor 'De Pijnbank', de nieuwe film van Theo van Gogh; 'Af en toe ben ik heus wel gelukkig'

Is het toegestaan te martelen voor geld? Dat dilemma komt aan de orde in De Pijnbank, de nieuwe film van Theo van Gogh die vandaag in première gaat. Justus van Oel schreef het scenario. “De mens is mislukt”, zegt hij.

De Pijnbank is vanaf vandaag te zien in 12 bioscopen.

AMSTERDAM, 10 SEPT. De Pijnbank is geen prettige film. Hoe maak je dat duidelijk aan het post-Filmpje!-publiek, het publiek dat op grond van de aanwezigheid van Paul de Leeuw een kaartje koopt voor dolle pret? Albert Verlinde van SBS-Shownieuws nam zijn toevlucht tot de ultieme aanbeveling: “Dit is echt zo'n film die je helemaal uit moet zien.” Met andere woorden: dit is niet voor de lol, dit is om iets van op te steken. En inderdaad, De Pijnbank heeft iets van een les, een fabel over de slechtheid van de mens.

De strekking is universeel, het gegeven is een fusie in de bankwereld. Gevangen in troosteloze kantoorruimtes maken vier mannen elkaar het leven zuur. De nieuwe bovenbaas gebruikt een gefrusteerde cliënt om een lastige onderbaas weg te krijgen, een tweede onderbaas fungeert als katalysator in de machtsstrijd. Alle vier zijn evenzeer dader als slachtoffer, al hun energie is er op gericht om de ander te vernietigen. Paul de Leeuw speelt een sukkel met een kruisigingscomplex, bereid om zijn schuld af te lossen door zich - tegen forse vergoeding - in het openbaar te laten martelen. De schaarse humor is zwart.

Als een gedicht met als titel 'De somberte', zo ziet de geestelijk vader van De Pijnbank de film het liefst omschreven. Justus van Oel (38) baseerde het scenario voor de film op zijn gelijknamige toneelstuk, dat in het seizoen 1992-1993 door Maarten Wansink en hem werd gespeeld. Theo van Gogh werd bij wijze van marketingtruc opgevoerd als regisseur en kondigde aan ooit iets met het stuk te willen doen. Van Gogh hield woord (“Die trouw ontroert mij, als je je in Theo's genade mag verheugen gebeuren er bijzondere dingen”) en Van Oel voegde twee personages en een dramatische ontwikkeling toe aan zijn stuk. Het minimale budget van 360.000 gulden werd bijeen gebracht door Theo van Gogh, Paul de Leeuw en producent Shooting Star. Ook al doet het er eigenlijk niet toe, helemaal genegeerd kan deze privé-financiering niet worden. Immers: “Het is duidelijk dat het budget van twee hondenvoercommercials de nodige beperkingen oplegt aan een speelfilm.”

Uit het oeuvre van regisseur Van Gogh spreekt sowieso weinig vertrouwen in de mens, maar De Pijnbank is zijn meest cynische film sinds hij debuteerde met Luger (1981). Het zwartgallige gedachtengoed werd aangeleverd door Justus van Oel. Inmiddels is zijn blik iets milder (droogjes: “Prozac helpt”), maar ten tijde van het schrijven van het toneelstuk, zeven jaar geleden, zag hij niets goeds in de mens. “Iedereen is wel eens wat sombertjes maar om er een stuk aan te wijden, daar is inderdaad meer voor nodig. Die bitterheid zal wel op mijn jeugd zijn terug te voeren, ik was kwaad, teleurgesteld over wat het leven te bieden heeft. Er was geen scheiding tussen wat ik voelde en wat ik schreef. Je hoeft niet in de hel te wonen om er over te kunnen schrijven, maar je moet er wel af en toe langs gaan. Af en toe ben ik heus wel gelukkig. Toen ik het toneelstuk bewerkte tot filmscenario was de woede nog wel authentiek, maar niet langer elke dag aan de orde.”

Een schijnbaar eenvoudige vraag groeit in de loop van de film uit tot ethisch dilemma van formaat: is het toegestaan om te martelen voor geld? De cliënt, toch al bezeten van de gedachte om gekruisigd te worden, kan zijn schulden aan de bank aflossen door zich tegen betaling in het openbaar te laten martelen. Van Oel verbaast zich over de weerstand die dat idee oproept. “Ik vind dat het zou moeten mogen. Euthanasie is toegestaan en mensen mogen gesponsord de Himalaya beklimmen om daar een been te verliezen, maar opzettelijk pijn lijden is verboden. Zelf zou ik het niet doen, en ik zou er ook niet heen gaan, maar een geldig bezwaar kan ik niet bedenken.” Van Oel ziet slechts voordelen van het martelen-als-voorstelling. “Iemand heeft iets onherstelbaars gedaan en wil daarvoor boeten, betalen met pijn. Zo iemand kan zijn morele schuld aflossen door te lijden. En tegelijk zijn financiële schuld, want voor de toegang moet natuurlijk voor worden betaald. Ideaal.”

Uit de mond van Van Gogh zou het niet meer zijn dan provocerend bedoelde ironie, bij Van Oel klinkt het bloedserieus en met een ondertoon van wrok. Hier moet sprake zijn van een streng gereformeerde jeugd met een overdadig ontwikkeld schuldbesef. “Nee hoor, gematigd gereformeerd, meer niet. Maar schuldig voel ik me wel ja. Jegens mijn ouders, mezelf, de wereld, God, noem maar op. Ik ben niet geworden wie ik had moeten zijn, niemand is zoals hij eigenlijk zou willen zijn. Dat staat me zo tegen aan de mens: we zijn mislukt. We willen goed zijn, maar dat lukt ons niet.”

Geloof is keurig verdeeld over de vier personages. De boeddhist houdt afstand, de katholiek en de protestant zorgen voor het centrale conflict en de atheïst offert zich op. Schuld en boete uit zich bij hem, zonder religieuze lading, in het verlangen te worden gekruisigd.

Met de verbeelding van bovenstaande ideeën maakt De Pijnbank weinig kans op hoge bezoekersaantallen. Lachend: “Ik meen een redelijk publieksvriendelijk product te hebben afgeleverd, maar dat zegt waarschijnlijk meer over mij dan over het publiek.” De ideale bezoeker voor Van Oel verlaat met ongeloof de bioscoop, hopend dat hetgeen hij heeft gezien niet waar kan zijn, daarvoor steun zoekend bij het onbestemde half-realisme van de film. De schrijver is niet te beroerd voor een welgemeend advies: “Neem het niet te zwaar maar geneer je niet als het zware gevoelens opwekt. Probeer te lachen om het slechte en probeer daarna het goede te doen.”