Een staat met vele kloven

Staat en burgers, Moskou en de regio's, vrijheid en vrije wil - Rusland is vol complexe tegenstellingen.

De Russische roebel is in een vrije val terechtgekomen. De politieke situatie in Moskou verkeert in een impasse en is zeer wankel. Achtergronden bij een diepe crisis.

WAT DOET een Ghanees als de winkelschappen leeg raken? Hij probeert in buurland Togo olie en rijst te kopen. Wat hamstert een Rus als er schaarste in aantocht is? Toiletpapier.

Iedereen doet het zijne als de chaos 'm bij de keel grijpt. Herinneringen, al dan niet via (groot)ouders overgeleverd, provoceren een Pavlov-reflex die voor buitenstaanders irrationeel lijkt maar het niet hoeft te zijn. Dat de burgers in Moskou deze week hun laatste contanten, behalve in bloem en suiker, ook in WC-papier investeerden, zegt dus iets: namelijk dat het geen toeval is dat de plee in Rusland zo vaak geassocieerd wordt met de maatschappelijke verhoudingen, al was het maar omdat 'stront' en 'staat' in het Russisch net zo mooi allitereren als in het Nederlands.

Dat politici in dezelfde stad weinig trek zeggen te hebben in de tweede functie van de staat, het premierschap, en dat uiteindelijk een ex-KGB'er over de streep moet worden getrokken, is niet minder significant. In Rusland is de macht zoek. Wat de burgers ervan vinden, is niet eens van later zorg, het is geen zorg.

De enorme discrepantie tussen staatsmacht en volk is een tegenstelling die je in Rusland altijd in de gaten moet houden. Waar het klassieke wantrouwen jegens het openbaar bestuur bij ons een luxe-artikel is, is het daar de kern van de sociale verhoudingen. De belastingmoraal is een van de indicatoren waaraan dat is af te lezen. De helft van de economische activiteit is naar schatting zwart. Slechts één op honderdvijftig Russen heeft vorig jaar een belastingformulier ingevuld. En zij die daar niet onderuit kunnen, doen dat kwaadaardig onzorgvuldig. Zo zou tycoon Boris Berezovski, die volgens het Amerikaanse blad Forbes een vermogen van ongeveer van zes miljard gulden heeft vergaard en in de avonduren de boekhouding van de 'familie Jeltsin' doet, een belastbaar inkomen van nog geen 80.000 gulden hebben aangegeven.

De kloof tussen staat en samenleving is slechts één van de contraire begrippen die de ontwikkelingen in Rusland zouden kunnen verhelderen. Er zijn veel meer paradoxen of waarlijke tegenstellingen. Sommige zijn historisch, andere zijn van recenter datum.

Oud is de spanning tussen het centrum en de periferie, nu dus tussen Moskou en de provinciale gloebinka. In de buitengewesten werd de hoofdstad in Sovjet-tijden gehaat als de alles verslindende bureaucratische bloedzuiger die je het beste kon bestrijden door zelf er naartoe te gaan. Nu wordt Moskou gevreesd als de politieke metropool, waar connecties en corruptie een kleine politiek-economische elite puissant rijk hebben gemaakt. Vandaar dat burgemeester Loezjkov afwisselend afgunst en adoratie oproept.

Waar de lokale partijsecretarissen in de Brezjnev-epoche de telegrammen uit het Centraal Comité zoveel mogelijk probeerden te negeren of naar eigen goeddunken te interpreteren, zoeken de 89 plaatselijke gouverneurs nu naar alibi's om hun regionale inkomsten niet aan deze stad en deze mannen af te dragen. Als het spannend wordt, zoals dezer dagen, kondigen ze zelfs hun eigen noodtoestand af (Kaliningrad), voeren prijscontroles in (Omsk en Krasnojarsk), of smeken ze in het Westen om humanitaire hulp (Karelië) - uiteraard buiten Moskou om.

Klassiek is eveneens de tegenstelling tussen stad en dorp. Toen de bolsjewieken in 1917 de macht wisten te grijpen omdat de andere politici door een gebrek aan coherent gedrag hun hoofd er niet bij hadden, was Rusland een agrarisch, om niet te zeggen, horig land. Toen Jozef Stalin eind jaren dertig zijn grote sprong voorwaarts in de zware industrie had gerealiseerd, was dat statistisch gezien nog steeds zo. Toen de laatste grote urbanisator, Brezjnev, begin jaren tachtig stierf, woonde inmiddels tweederde van de Russen in de stad. Maar qua wereldbeschouwing bleef de gemiddelde Rus een 'boer op een te krappe flat', zoals Reinout van der Heijden het in zijn De vloek van Oesovo kernachtig heeft samengevat. Russen zetten tomaten in de tuin bij hun datsja, geen bloemen.

Nieuw en oud tegelijkertijd is de contradictie tussen geld en goederen. Tien jaar geleden bestond er in Rusland geen geld. Er waren toen namelijk te veel roebelbiljetten in omloop en te weinig spullen. Wie over deze zogeheten 'houten' roebels beschikte, schafte zich er onmiddellijk nuttige waar van aan. Desnoods kocht je alle tv's in de Gorizont-winkel aan de Koetoezovski-prospekt op. Je kon die immers altijd ruilen tegen andere schaarse producten. Wie 'groene' roebels (lees: dollars) had, deed hetzelfde met Marlboro of Gin.

Overbodig hieraan toe te voegen dat de Moskovieten het daarbij makkelijker hadden dan de provincialen uit de gloebinka. Sinds de ontmanteling van de Sovjet-Unie in 1991 werd deze tegenstelling op consumenten-niveau opgeheven. Voor het eerst sinds mensenheugenis leek geld belangrijker dan goederen, omdat het eerste schaarser was dan het laatste. Althans, dat dachten velen. In feite is er van een geldeconomie geen sprake.

Twee voorbeelden. Ongeveer driekwart van de ondernemingen bedrijft nog steeds ruilhandel met elkaar waarbij, behalve voor de barter-makelaars, geen roebel komt kijken. Dat de staats- én particuliere bedrijven bij hun werknemers voor ongeveer 50 miljard gulden achterstallig loon in het krijt staan - dat wil zeggen drieduizend gulden per Rus van wieg tot graf (omgerekend naar wisselkoersen vóór de devaluatie) - is een uiting van hetzelfde fenomeen. Zij het dat de barter zich in deze arbeidsverhouding veelal manifesteert in de vorm van kindercrêche, polikliniek, bioscoop, sportclub en voedsel van de fabrieks-kolchoze.

De stabiliteit van de roebel was dan ook schijn. De roebel was stabiel omdat de burgers hem konden inwisselen tegen de dollar, niet omdat de munt op zichzelf 'groen' was geworden. Toen de Staatsbank op 12 augustus beperkingen aan deze convertibiliteit afkondigde, bleek dat de dollar toch maat der dingen is gebleven. Niemand weet het zeker. Maar er zou in Rusland zelf zeker 40 miljard dollar in omloop zijn. De hoeveelheid Russische dollars in het buitenland is helemaal onduidelijk. De schattingen variëren van 50 tot ruim 200 miljard dollar.

Wat gaan de mensen doen die over dit geld beschikken? En wat zijn de burgers van plan die bestolen zijn. Het antwoord op die vraag moet helaas achterwege blijven. Het is zelfs potsierlijk te voorspellen hoe de chaos in Rusland zich uiteindelijk zal ordenen. Maar dat het eindspel van Jeltsin zich langs de lijnen van een contradictie zal afwikkelen, is zeker. En wel volgens de tegenstelling tussen svoboda en volja. Svoboda (vrijheid) in Rusland is een passief begrip. Je krijgt het. Het is een gemoedstoestand die elke Rus waar dan ook kan genieten - de geniale dronkenlap Venedikt Jerofejev, auteur van Moskou op sterk water had genoeg aan een borrel en een worstenbroodje op het balkon. Het begrip is dus maatschappelijk irrelevant. Volja (onvertaalbaar, 'vrije wil' komt het dichtst in de buurt) daarentegen is een actief idee. Naar volja kun je hunkeren, moet je streven. Het kan een stap in het duister zijn, als het maar een stap is.

De volja zal dus beslissend zijn. De svoboda kan slechts toekijken. Let op mannen, al dan niet in uniform, die de volja fysiek uitstralen. Zij bepalen hoeveel vrijheid de onderdanen straks krijgen.