Een beschermende veste

Zestig jaar geleden kwam de sloophamer neer op de Cité Ouvrière in de Maastrichtse Sint Teunisstraat. De Cité Ouvrière is nu vergeten, maar in de vorige eeuw was het een geruchtmakend kazerneringsproject van een parvenu met groot ondernemerstalent: de glas- en aardewerkfabrikant Petrus Regout, die navrant detoneerde in het land van stastokkende renteniers.

Anders dan de naam doet vermoeden was de Cité Ouvrière geen arbeidersstad, maar slechts een woonkazerne. Niettemin was de cité, naar plaatselijke begrippen, een buitengewoon groot huis: de 'Groete Bouw', zoals ze in Maastricht zeiden, telde zeven verdiepingen en bevatte 72 kamers, aan weerskanten van hygiënisch bepleisterde gangen die slechts versierd waren met een groot Christusbeeld.

Zo groot als het gebouw was, zo bescheiden waren de woonkamers: zes bij viereneenhalve meter. Maar de gemiddelde huurkamer in de Raamstraat of Stokstraat was nóg kleiner. En in de cité kreeg een groter gezin twee kamers. Op elke verdieping stond een waterpomp, een voorziening die in de meeste huurkamers eveneens ontbrak. Dat gold ook voor privaten: elders in de buurt deed men het buiten in de sekreetkuil. Daar staat tegenover dat zo'n twintig mensen op één privaat hun behoefte moesten doen en dat er geen deur was en ook geen pot.

Een kamer deed dienst als lijkenhuis, zodat de bewoners niet langer dan drie dagen - tot aan het kisten - met de dode de bedstee hoefden te delen. Over deze lijkenkamer is door socialisten nog het meest gesmaald, onder anderen door Domela Nieuwenhuis.

De kazerne kende maar één deur. Zo'n driehonderdvijftig inwoners zochten er dag en nacht ingang of uitgang. Burenruzies kwamen veelvuldig voor. De conciërge, ook belast met zedelijk toezicht, zal het er moeilijk mee hebben gehad. Maar eigenaar Regout had nog een ander disciplinerend instrument: de huur werd afgetrokken van het arbeidsloon. Ontslag betekende ontruiming van de cité.

De Cité Ouvrière is gebouwd in 1863. Petrus Regout, 's lands eerste 'grootindustrieel' die aan het eind van zijn leven maar liefst 2500 mensen in dienst had, was trots op zijn woningexperiment. De woede en hoon die de 'Groete Bouw' na zijn overlijden mocht incasseren, zou de grondlegger van het huidige Sphinx Gustavsberg niet hebben begrepen. Zijn zonen Petrus, Eduard, Eugène en Louis - de hautaine hoofdrolspelers in de parlementaire enquête naar de naleving van het kinderwetje - lieten wijselijk de steen met 'PR' uit de gevel verwijderen. Dat verhinderde niet dat de 'Groete Bouw'in socialistische ogen uitgroeide tot een synoniem voor uitbuiting. In 1917 kon ook de katholieke voorman dr. Poels er niet omheen: hij bestempelde de cité als 'het Menschenpakhuis'.

De bewoners zelf hebben zich laconieker betoond. De huur die de pottenkoning aftrok was tamelijk laag, wat niet veranderde toen het gebouw in handen van de gemeente kwam. Daarbij, leven deed je op de stoep en in het café. Het schijnt dat de sloop pas kon beginnen nadat de laatste bewoners met dwang waren verwijderd. Einde van een trieste geschiedenis.

Maar de façade van de Cité Ouvrière vertelt een ander verhaal. Deze weelderige schepping van Keulenaar Wilhelm Wickop bevat opvallend veel neogotische elementen. Vooral de kantelen trekken de aandacht. Doordat ze op verschillende hoogten zijn aangebracht, suggereren ze het aanzicht van een ommuurde stad. Het 'menschenpakhuis' als beschermende veste? Is dat de gedachte? Goed mogelijk, meent kunsthistoricus Aart Mekking, en verwijst naar 'het negentiende-eeuwse ideaalbeeld van de christelijke werkgemeenschap van een middeleeuwse stad'.

Hier doemen vele vragen op. Klopt Mekkings hypothese? Van wie is dan het idee: opdrachtgever Regout, architect Wickop of beiden? En heeft de kunstenaar niet begrepen dat driehonderdvijftig mensen op 72 kamers en 16 privaten tot miserie moest leiden? Was iederéén blind voor het schreeuwende contrast tussen deze en gene zijde van de gevel? Niemand heeft er toen een woord aan gewijd.

Ach, stellen we onszelf gerust, dat is typisch negentiende-eeuws. Het was een tijdperk van licht en duisternis. Een eeuw van gespleten zielen.