De republiek komt er echt nog wel; De vorstin begint de gevarenzone te benaderen, er smeult verzet

Nog steeds is het Nederlandse koningshuis van massale steun verzekerd. Maar volgens Jan Prillevitz zullen de onderdanen ooit uit hun media -narcose ontwaken en zien dat ze zich hebben laten degraderen tot invloedloze consumenten. De protestbeweging die dan ontstaat, zal niet stoppen bij de hekken van het paleis.

Generaties Nederlanders, vooral die van protestantsen huize, zijn grootgebracht met het axioma dat ze in de eerste plaats onderdaan zijn, en pas daarna staatsburger. Onderdaan van Hare Majesteit, wel te verstaan. Staatsburger rook te veel naar de 'citoyen' van de Franse revolutie, naar republikanisme, lai¨citeit, jakobinisme, enzovoort.

In de protestantse kerken waarin ik ben opgegroeid, werd zondag aan zondag gebeden voor hen 'die over ons gesteld zijn', of hen 'die in hoogheid zijn gezeten'. De meeste dominees kwamen in hun gebed niet veel verder dan 'onze geëerbiedigde vorstin en Haar Huis'. Bij wijze van tautologie werd daar soms aan toegevoegd: '...alsmede Haar ministers, dienaren der Kroon'. Daarmee was het bekeken.

Kamerleden, burgemeesters, magistraten, ambtenaren kwamen zelden voor een voorbede in aanmerking. Ze vertegenwoordigden toch maar 'afgeleid gezag'. Het beeld van de vorst dat de dominees met zich droegen, was dat van het Bijbels koningschap van de gezalfde des Heren. Het vertoonde absolutistische trekken, al waren ze zich dat niet altijd bewust. De monarch heerst bij de gratie Gods; dat is de enige legitimatie die hij behoeft. Bij hem berust de ongedeelde soevereiniteit in de staat, waarvan elke andere bestuurlijke, politieke, wetgevende of justitiële soevereiniteit is afgeleid. Zo willen Gods ordonnansen het. Daarom is de monarch alleen aan God verantwoording verschuldigd, en zijn ministers alleen aan hem. De rest is niet meer dan onderdaan en heeft zich als zodanig te gedragen.

Mij interesseert niet zozeer de vraag hoe het komt dat een al vele malen afgeschreven staatsvorm met glans blijkt te kunnen overleven nadat al z'n vroegere steunpilaren zijn weggevallen. Dat kan je nog afdoen als een gevolg van de mediatisering (de sussende en gelijkschakelende werking van de televisie) en feminisering ('vrouwen zijn geobsedeerd door royalty') van de samenleving, maar er zijn andere, dieper liggende oorzaken. Mij interesseert vooral de vraag waar dat conformisme vandaan komt dat de Nederlander van de jaren negentig kenmerkt. Dat heeft hem van een ogenschijnlijk kritisch staatsburger in de jaren zestig en zeventig, in een opvallend meegaand onderdaan doen veranderen. Een gunstige ontwikkeling voor de monarchie, een instelling die het voor zijn voortbestaan niet bepaald van non-conformisten moet hebben.

We heten te leven in een tijd van autonomie van het individu, maar paradoxaal genoeg uit zich dat op vele terreinen in een gebrek aan individualiteit, dat voortvloeit uit een mentaliteit van niet willen participeren en nadenken, kiezen en beslissen, maar alleen willen consumeren. Het resultaat is het tegendeel van creatief individualisme, namelijk conformisme, kuddegeest, napraterij van de media, collectieve denkclichés. De Europeaan van het einde van de eeuw heeft de werkelijkheid ingeruild voor het beeld; hij gelooft in de fataliteit van wat hij ziet, in het onveranderbare en onbeïnvloedbare van de dingen die hij op het scherm waarneemt.

Gezeten voor zijn toestel, laat hij zich bedwelmen door de media die bijna alles in kitsch, entertainment en kijksport veranderen: politiek, verkiezingen, klimatologische ondergangsscenario's, Azië-crises, koningshuizen, enzovoort. Voor de rest laat hij de boel de boel en verschanst zich in zijn privé-leven. Tekenen aan de wand zijn de steeds lagere opkomst bij verkiezingen, depolitisering, het fenomeen van de 'staatsverlaters' (het woord is van H.J.A. Hofland), de weigering om actief aan iets deel te nemen wat niet de eigen persoon en de directe omgeving betreft. Betrokkenheid bij de wederwaardigheden van het Koninklijk Huis is dan nog vaak het enige wat mensen min of meer met het leven van de staat verbindt. Magerder kan het niet.

Kortom, in plaats van staatsburger is de onderdaan consument geworden. Voor geen democratisch bewind, in welke staatsvorm het ook opereert, is dat een ideale situatie. Toch heeft die voor een erfelijke monarchie zo haar voordelen. Met een beetje kwaadsappigheid kan je zeggen dat Beatrix precies datgene in de schoot is gevallen waarnaar haar grootmoeder Wilhelmina in de jaren '40-'45 zo energiek, maar naar later bleek tevergeefs, streefde: een om de troon geschaard, ontzuild, gedepolariseerd, consensusverliefd en tamelijk gedwee volk onder koninklijke leiding, een Nederland zonder veel politiek bewustzijn, waarin de grote tegenstellingen zijn geneutraliseerd en het 'boven de partijen staan' tot nationale deugd is verheven.

Wilhelmina schijnt in 1945 zelfs te hebben overwogen die situatie met andere dan constitutionele middelen af te dwingen, zulks met steun van Prins Bernhard. Ze heeft in elk geval de eerste naoorlogse verkiezingen een jaar lang weten op te houden; die zouden het in de oorlog ontstane beeld van nationale eenheid toch maar hebben verstoord. Vandaar het door oud-verzetsmensen gedomineerde noodparlement, dat van '45 tot '46 voor 'volksvertegenwoordiging' speelde. Het functioneerde in een context waarnaar Prins Bernhard in 1971 nog heimwee bleek te hebben toen hij, tot grote schrik van de toenmalige premier Biesheuvel, verklaarde dat het parlement best een tijdje buitenspel kon blijven.

De 'Oranje-staat' van Wilhelmina en Bernhard is er niet gekomen, maar wel koerst Nederland in de richting van een éénpartijstaat (de term is van Oerlemans), naar een politiek landschap waarin alle contouren en scheidslijnen zijn vervaagd. Het effect voor de monarchie is bijna hetzelfde. De tegenstelling behoudend-vooruitstrevend, voorheen belichaamd in de polarisatie PvdA-VVD, die elkaar uitsloten, is in Paars opgeheven.

De strategie van de Oranjes om de PvdA bij voorkeur buiten de oppositie te houden (waarin ze dreigt te radicaliseren, soms zelfs in de richting van republikanisme; meer dan dertig jaar na de Brief van Nederhorst zit de schrik er nog steeds in) is meer dan geslaagd. Het lichtelijk republikeinse D66 heeft zichzelf als hervormingspartij ontmand door de honger naar paars en macht te laten prevaleren boven de staatkundige en constitutionele herzieningen die ook maar enig hout snijden.

De niet-paarse oppositie is voor de monarchie volstrekt ongevaarlijk. Het CDA is de koningsgezindheid zelve en wordt bovendien geleid door een ex-diplomaat die in zijn vorige beroepsleven niet met veel republikanisme zal zijn besmet. Zelfs GroenLinks wil de monarchie niet meer afschaffen en geeft de voorkeur aan de paradox van de verkiesbare monarch.

Natuurlijk is die situatie de Majesteit niet alleen maar in de schoot gevallen, ze heeft haar ten dele zelf geregisseerd: ondermeer door de benoeming van Wim Kok tot formateur in de zomer van '94, waardoor de weg naar Paars vrij kwam en dus naar het soort depolarisatie waar monarchieën dol op zijn. Beatrix is ontegenzeggelijk een knap strateeg. Als ze het zelf niet is, heeft ze excellente adviseurs naar wie ze bij uitzondering eens luistert.

Niet zonder bewondering denk ik terug aan de manier waarop ze destijds met de Drakesteyn-sessies half links Nederland voor discussies en optredens uitnodigde en inpakte. Voormalige links-radicalen als Han Lammers (hoforganist) en Harry Mulisch (altijd prominent in beeld op koninklijke party's) zijn voor mij voorbeelden van wat vorstelijke magie vermag.

En toch nadert de vorstin de gevarenzone. Het gevaar smeult daar waar spanningen gaan ontstaan tussen de onschendbaarheid des Konings en de verantwoordelijkheid van de ministers. Beide elementen zijn geregeld in artikel 42 van de Grondwet, de geniale formule waarmee Thorbecke een eind maakte aan het verlichte despotisme van de eerste Oranje-koningen - zonder de monarchie op te heffen. Ze werkt in de praktijk naar behoren zolang de betrokken partijen het elkaar niet te moeilijk maken.

Het is duidelijk dat die wijsheid bij Beatrix begint te slijten, onder invloed van de voorsprong in ervaring en vaak ook in kennis die ze heeft op de ministeriële passanten. Haar politieke rol wordt steeds duidelijker, steeds voelbaarder. 'Aanhoudende expansie', noemde Harry van Wijnen het. Maar zodra het geheim van Noordeinde begint te haperen en merkbaar wordt dat ministers door Hogerhand in een bepaalde richting zijn geduwd, verzwakt dat in de niets verbergende media-democratie hun aanzien. En dat is iets wat beroepspolitici op den duur niet nemen.

Er smeult verzet onder het oppervlak, irritatie, soms woede. Ik heb geschreven (in NRC Handelsblad, 11 mei 1995) over de kruiperigheid van politici ten opzichte van het staatshoofd. Ik geloof nu dat die eerder voortkomt uit vrees dan uit iets anders; ze gaat ook gepaard met dubbelzinnigheid: dezelfde mensen die in het openbaar mooie dingen over de Majesteit zeggen, zijn bereid haar in een gesprek onder vier ogen onderuit te halen; haar bemoeizucht, regeldrift en betweterij te hekelen, en je verhalen te vertellen over ministers die onder druk zijn gezet of zich in verlegenheid voelden gebracht, over voorzitters van staatscommissies die 'teruggefloten' werden, over fractieleiders die via-via benaderd werden om druk uit te oefenen op bewindslieden die aanvankelijk de rug tegenover de vorstin hadden gerecht, enzovoort.

Is dat alles nog onder te brengen onder de drie r's van Walter Bagehot (die niet in de Nederlandse Grondwet staan): '...the right to be consulted, the right to encourage and the right to warn'? Premier Kok bezweert het probleem door het bestaan ervan te ontkennen, en dat is verstandig. Nog wel. Maar op een gegeven moment zal zelfs hij moeten erkennen dat we kunnen groeien naar een situatie zoals die zich in de Republiek voordeed, toen er een tegenstelling was tussen een anti-Oranjegezinde bestuurlijke elite aan de ene en een Oranje-adorerend volk aan de andere kant. Naar deze tijd getransponeerd betekent dat een groeiende tegenstelling tussen enerzijds een verzelfstandigde politieke klasse die zich door de vorstin bevoogd voelt en op z'n minst naar het Zweedse model van een puur ceremoniële monarchie wil, en anderzijds een volk dat van de politiek vervreemd raakt, voelt dat de greep van politici op de samenleving begint te verslappen, en het best vindt als dat gecompenseerd wordt door een krachtiger koninklijke leiding.

Personalisatie van macht zal een sleutelbegrip zijn aan het begin van de nieuwe eeuw en het zal, vrees ik, voor een belangrijk deel om boven de partijen staande macht gaan. Wee ons gebeente als die van monarchale signatuur zal zijn. Het monarchale spook duikt nu al weer op in nog net gedemocratiseerde landen als Rusland, Roemenië, Bulgarije, Hongarije en Albanië. Hoewel het volk natuurlijk altijd gelijk heeft, vraag je je toch af wat mensen staatkundig zo onvolwassen houdt, dat ze in deze tijd nog om een erfelijk koningschap roepen.

De Republiek der Nederlanden, komt daar nog wat van? Ze is sinds de zestiende eeuw nooit weggeweest, ook niet onder de monarchie, riepen Prins Claus en kroonprins Willem-Alexander dit jaar. Nederland is geen monarchie, Nederland is een republiek met een erfelijke koning die in nauw contact met de bevolking staat', zei Prins Claus op 30 januari 1998 in een ZDF-documentaire.

De echte republiek is er morgen nog niet. Misschien krijgt de monarchie in dit land aan het begin van de volgende eeuw via het Zweedse model de gelegenheid haar overbodigheid te bewijzen. Het zal ervan afhangen hoeveel moed politici weten op te brengen. Maar dan nog zullen de mensen hardnekkig verslaafd blijven aan de monarchistische produkten uit de droomfabriek: Diana, Caroline, Marilène, Emily. Daarbij denken ze zelden aan de staatsvorm, ze zien alleen de symbolen. Maar omdat die hun uitstraling direct of indirect ontlenen aan de staatsvorm, zal deze een taai leven beschoren blijken. Tenzij de onderdanen op een goede dag uit hun individualisme en media-narcose ontwaken en tijdig een paar conclusies trekken. Bij voorbeeld dat ze zich hebben laten degraderen tot consumenten in een tv-gestuurde 'Zuschauerdemokratie' (Rudolf Wassermann) en ze geen enkele invloed hebben op de gang van zaken in de staat, laat staan op die in Europa. Dat verkiezingen daarom dubieuze rituelen dreigen te worden, gericht op het legitimeren van partijen waartussen nauwelijks meer te kiezen valt, die weinig meer vertegenwoordigen en afgezakt zijn tot de status van organisaties van politiek personeel' (Hans Wansink). Dat woorden als democratie, volkssoevereiniteit, representatie, inspraak en medezeggenschap lege hulzen beginnen te worden. Dat correctieve referenda onder de categorie 'cosmetica' vallen, omdat ze zinloos zijn in geval van wetgeving die uit Europese verplichtingen voortvloeit - wat voor het merendeel van alle wetgeving het geval zal zijn.

Een massale bewustwording van dit alles kan leiden tot een protest- en hervormingsbeweging, vergelijkbaar met die van de jaren zestig. En die zal dan niet voor staatsvorm en staatshoofd halt houden. Al lijken actuele ontwikkelingen als de Oranje- en de Beatrix-verering (het 'Beatrixisme') op het tegendeel te wijzen, uit de crisis van de democratie kan uiteindelijk ook een crisis van de monarchie voortkomen. Monarchieën die zich profileren, die zich door de omstandigheden gelegitimeerd wanen een politieke rol te vervullen, maken zich kwetsbaar.

De vraag blijft wel hoeveel ruimte we nog hebben om uitgebreide restauratiewerkzaamheden te verrichten aan de Staat der Nederlanden. Hebben die zin in het licht van de Europese eenwording? De marges zijn inderdaad smal geworden; Europa beperkt onze keuze- en beleidsvrijheid sterk. Maar juist daarom zal men zich bij wijze van compensatie richten op herziening van wat nog wèl binnen de nationale marges valt. Daarbij denk ik ook aan de staatsvorm en het hoogste ambt in de staat, ervan uitgaande dat het, ondanks de komst van de euro, met de Republiek der Verenigde Staten van Europa niets wordt. Als dan het proces van binnenlandse constitutionele hervormingen goed op gang komt, zal de republiek er vanzelf wel komen. Die zal geen tovermiddel blijken te zijn tegen alle kwalen waaraan de democratie lijdt, maar wel een sterke symbolische waarde hebben als herdefinitie van de Nederlandse 'res publica'.