Clinton moet onverwijld het Witte Huis verlaten

Zelf hoopt president Clinton er met een berisping af te komen. Het heeft er alle schijn van dat dat ook gebeurt. Maar volgens William Pfaff is dat geen bevredigende oplossing want de Lewinsky-affaire is geen persoonlijk probleem maar een nationaal probleem.

Drie weken geleden was het nog mogelijk te zeggen dat aftreden de enige fatsoenlijke weg was die president Bill Clinton openstond. Inmiddels is aftreden noodzakelijk geworden ten behoeve van het land.

Zijn omgeving hoopte nog dat een gepolariseerd partijpolitiek debat in het Huis van Afgevaardigden hem zou kunnen redden en mobiliseerde de Democraten tegen de Republikeinen. Dat is nu onmogelijk geworden door de waardige maar onverbiddelijke veroordeling van de president door zijn vroegere medestander senator Joseph Lieberman van Connecticut, vorige week in de Senaat, gevolgd door uitspraken van andere vooraanstaande Democraten, onder wie de man die met recht als het geweten van de Democratische Partij mag gelden, senator Daniel Patrick Moynihan van New York.

President Clinton hoopt waarschijnlijk ervan af te komen met een berisping van het Congres (een maatregel zonder officiële status). Senator Lieberman heeft erop gezinspeeld dat dit wellicht ook zal gebeuren.

Het is denkbaar dat het zo zal gaan, want om begrijpelijke redenen wil het Congres liever geen gedwongen aftreden, impeachment, overwegen. Maar een bevredigende oplossing zou het niet bieden: het betreft inmiddels geen persoonlijk maar een nationaal probleem.

Als de president niet aftreedt, zullen onvermijdelijk alle morsige, blamerende details van zijn relatie met Monica Lewinsky en zijn pogingen die stil te houden op straat belanden - tot schande van zijn gezin, tot schade van zijn regering en tot de vernedering van degenen die hem steunden en het Amerikaanse volk als geheel.

Ernstige zaken vragen om aandacht, maar de regering en haar buitenlandse beleidsapparaat zijn vrijwel verlamd. De politiek in Washington en de media worden door het schandaal rond de president geobsedeerd. Alleen Bill Clinton kan hieraan een eind maken. Hij ondervindt, met een citaat van James Barrie “de tragiek van een man die zichzelf heeft betrapt”.

De kwestie moet in een historisch perspectief worden geplaatst. Het Amerikaanse politieke experiment heeft zo'n buitengewone invloed op de hele wereld gehad door de verhevenheid van de beginselen en de taal waarin het is geformuleerd, in de Onafhankelijkheidsverklaring, de Grondwet en de redevoeringen en geschriften van hen die wij Amerikanen gewoon zijn de Founding Fathers te noemen.

Wij zijn hun erfgenamen in die zin dat de president en anderen in hoge ambten altijd naar hogere maatstaven zijn gemeten dan de gewone man of vrouw. Dat kan vanuit persoonlijk gezichtspunt oneerlijk schijnen, maar het behoort wezenlijk tot de historische continuïteit van het Amerikaanse politieke experiment.

De Verenigde Staten zijn ontstaan binnen de intellectuele en retorische conventies die heersten aan het eind van de achttiende eeuw, en het effect van die conventies was dat de Amerikaanse regering zich verplichtte tot zekere verheven morele uitgangspunten en geacht werd deze verplichting door te geven aan hen die volgden.

De mensen waren de achttiende eeuw naar hun aard en diepste sentimenten zeker niet beter dan nu, maar het heersende openbare cultuur- en zedenbesef verplichtte hen tot zekere normen van openbaar fatsoen waaraan men zo niet in zijn doen dan toch in zijn laten werd gehouden. Zo meende men dat men zich te gedragen had.

Deze opvatting van politiek fatsoen was in Amerika tot voor kort verweven in onderwijs en cultuur. Iedereen erkent de verhevenheid van Abraham Lincolns publieke uitspraken en daden. Zijn deugden zijn wellicht aangedikt in de hagiografieën die verschenen nadat hij was vermoord en in de eerste decennia van deze eeuw, maar dat de man geleden heeft onder de tragische beslissingen waarvoor hij werd gesteld door secessie, burgeroorlog en slavernij is onmiskenbaar. Hij was een zedelijke en daarbij tragische figuur in de continuïteit van het Amerikaans zedelijk leven.

Ook in de huidige tijd bestaat er nog een traditie van fatsoen onder Amerikaanse overheidsdienaren. Ik denk bijvoorbeeld aan George Marshall, tijdens de oorlog voorzitter van de chefs van staven van de Amerikaanse strijdkrachten, die na zijn ministerschap van buitenlandse zaken onder Harry Truman een miljoen dollar kreeg aangeboden (dollars van 1950) voor de publicatie van zijn memoires. Hij weigerde, want een fatsoenlijk man behoorde geen profijt te trekken van zijn regeringsambt.

Ook denk ik aan Truman zelf, en zijn nederige aanvaarding van verantwoordelijkheden waarop hij niet was voorbereid, en aan de moed waarmee hij zich getrouw van die verantwoordelijkheden gekweten heeft.

De Verenigde Staten zijn wezenlijk anders dan andere naties, omdat ze van oorsprong geen historische natie is. Ze bestond niet - ze is tot stand gebracht. Ze was een constructie gegrondvest op bepaalde principes en overtuigingen afkomstig uit de Schotse en Franse verlichting, en uit de christelijke cultuur van Engeland en koloniaal Amerika. Van meet af aan beschouwde ze zichzelf als een instrument om mensen te verheffen zodat zij beter zouden worden dan ze anders waren geweest.

Een fatsoenlijk mens is iemand die bereid is zichzelf op te offeren aan een beginsel, een overtuiging of een hoger belang. Dat is wellicht geen algemene eigenschap in het openbare leven. Het bestaan ervan berust op een openbare cultuur die dit soort waren aanleert. In Amerika is dat de laatste tijd niet het geval.

Ik zou willen vragen of de huidige situatie de gelegenheid biedt voor een grote catharsis van het nationaal geweten. President Clinton, als hem de moed gegeven is, zou die voor ons teweeg kunnen brengen.

©Los Angeles Times Syndicate/International Herald Tribune