Buitenwereld heeft geen vat op onrustig Azië

Anderhalf jaar na het uitbreken van de financiële crisis worden de problemen in Azië alleen maar groter. Chaos in Indonesië, politieke oorlog in Maleisië, geweld in Cambodja en repressie in Birma beheersen het nieuws.

ROTTERDAM, 10 SEPT. Anderhalve week nadat Noord-Korea een projectiel over Japan heen schoot, weet de wereld nog steeds niet zeker wat het stalinistische regime in Pyongyang heeft afgevuurd: een ballistische raket, zoals de VS aannemen, of een satelliet die vanuit de ruimte “onsterfelijke lofzangen” uitzendt over de gesloten heilstaat, zoals het Noord-Koreaanse bewind beweert. Zeker is wel dat Noord-Korea gisteren met veel militair ceremonieel vertoon zijn vijftigste verjaardag vierde, en dat er maar weinig buitenlandse gasten bij aanwezig waren om de feestvreugde luister bij te zetten.

Noord-Korea is weliswaar een geval apart in Azië: onvoorspelbaar handelend, intern verzwakt door structurele voedselnood, maar potentieel gevaarlijk door zijn bereidheid tot militair avonturisme. Maar het is niet het enige land in Azië waarover internationale bezorgdheid bestaat, en waarop diplomaten hun tanden stuk bijten.

Zo lijken anderhalf jaar na het uitbreken van de financiële crisis in Azië de gevolgen daarvan wereldwijd alleen nog maar toe te nemen. Voorzitter Alan Greenspan van het stelsel van Amerikaanse centrale banken (Fed) waarschuwde afgelopen weekeinde bijvoorbeeld dat het “ongeloofwaardig” is te denken dat de Amerikaanse economie “een oase van voorspoed” kan blijven in “een wereld onder toenemende druk” .

Het probleem van Noord-Korea, en de worsteling die de Aziatische 'Tijger-economieën' thans doormaken zijn van een geheel andere orde, maar wie op zoek is naar symbolen, heeft niet veel fantasie nodig om een vergelijking te trekken tussen de verwarring over het Noord-Koreaanse spookobject en de voortdurende onzekerheid over Aziatische crisis. De internationale gemeenschap heeft, zo blijkt, weinig greep op de loop der dingen in Azië, zowel op het gebied van veiligheid als van financiële stabiliteit. De diplomatie en veiligheidsdiensten worstelen niet alleen met vragen over de omstreden lancering, datzelfde geldt in nog heviger mate voor de financiële crisis: ondanks internationale coördinatie van hulpinspanningen via het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank, is het einde van de neergang nog lang niet in zicht.

Het is bovendien steeds duidelijker dat de Aziatische crisis niet alleen een financiële, maar vooral ook een politieke crisis is, die niet via technische ingrepen tot een zachte landing kan worden gebracht. De uiteenlopende manieren, waarop in Aziatische landen wordt gereageerd op de problemen, staat haaks op de mythe dat er een coherent Aziatisch waardensysteem bestaat. In Zuid-Korea heeft de vorig jaar gekozen president Kim Dae-jung met succes ingrijpende politieke en economische hervormingen doorgevoerd; in Maleisië heeft premier Mahathir Mohamad vorige week zijn gedoodverfde opvolger en tevens zijn belangrijkste ideologische tegenstander, Anwar Ibrahim, de laan uitgestuurd, terwijl het land economisch steeds verder weg zakt.

Het conflict in Maleisië typeert de fundamentele politieke keuzes waarvoor veel Aziatische landen staan. Mahathir, verdediger bij uitstek van de 'Aziatische waarden', legt de schuld van de huidige crisis in de eerste plaats bij buitenlandse, Westerse speculanten; hij zoekt de oplossing in het afschermen van zijn land voor de boze invloeden van de vrije markt. De 72-jarige premier heeft inmiddels aangekondigd af te zien van zijn eerdere voornemen dit jaar met pensioen te gaan. Zijn ontslagen vice-premier en minister van Financiën, Anwar, heeft zich juist altijd voorstander betoond van economische hervormingen én politieke vernieuwingen in eigen huis - de lijn die president Kim in Zuid-Korea volgt.

“Hoe vernuftig ook, het is in alle opzichtend beschamend als er een beroep wordt gedaan op de Aziatische waarden als excuus voor autocratie en de afwezigheid van grondrechten en burgerlijke vrijheden”, zo citeert in zijn deze week verschenen boek de laatste Britse gouverneur van Hongkong, Christopher Patten, de in diskrediet geraakte Anwar.

Patten betoogt dat de economische ontwikkeling in veel Aziatische landen stuit op de grenzen van het oude politieke bestel, waarbij leiders in besloten kring de beslissingen nemen. Ze zijn uit hun oude 'politieke jasje' gegroeid, aldus Patten: verdere economische groei vereist ontvlechting van bureacratie en zakenleven, en daarmee een opener en democratischer samenleving.

Die roep om meer openheid en democratie weerklinkt het luidst in Indonesië. Het voortdurend gemarchandeer met de IMF-voorwaarden voor internationale hulpverlening, heeft het vertrouwen in een snelle oplossing van de crisis in Indonesië doen slinken. Ook na het aftreden van president Soeharto is de afkeer tegen het ancien regime niet verdwenen, zoals de deze week opnieuw opgelaaide studentenprotesten laten zien. Met Indonesië gaat het steeds verder bergafwaarts: het land verkeert in sociale chaos terwijl de politieke agenda van president Habibie en, belangrijker nog, zijn uiteindelijke politieke gewicht ongewis blijven.

Juist door de politieke dimensie lijkt de Aziatische crisis op dit moment eerder te leiden tot verbrokkeling dan tot samenwerking in de regio. Het collectieve zelfvertrouwen is verdwenen, de regeringsleiders hebben hun handen vol om te overleven.

Indonesië speelt geen leidende rol meer binnen de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen (Asean) - die in deze tijd van crises toch al zeer afwezig is. Maar ook elders is leiderschap een schaars verschijnsel. Japan, gezien zijn economische betekenis verreweg het belangrijkste land in Azië, heeft een nieuwe regering, maar geen nieuw beleid. Ondanks zware druk van de VS en Europa lijkt premier Keizo Obuchi als exponent van de behoudende Llberaal Democratische Partij niet geneigd tot ingrijpende vernieuwingen.

De beperkingen van de internationale diplomatie manifesteren zich ook elders in Azië, in landen die weliswaar in Westerse ogen minder belangrijk zijn maar wier politieke spanningen wel een steeds terugkerend agendapunt zijn op internationale overlegfora. Al jarenlang wordt gefulmineerd tegen de junta in Birma, maar zonder succes: juist deze week arresteerden de gehate machthebbers in Rangoon honderden aanhangers van de Nationale Liga voor Democratie, de partij van Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi die in 1990 de verkiezingen won en vervolgens buitenspel werd gezet.

Wie een nog aansprekender voorbeeld zoekt van de hulpeloosheid van de internationale gemeenschap, kan terecht in Cambodja. Daar is het geweld deze week opnieuw opgelaaid en is oppositieleider Sam Rainsy gevlucht in een kantoor van de Verenigde Naties in Phnom Penh om uit handen te blijven van Cambodja's sterke man, Hun Sen. Sam Rainsy zou de granaataanslag maandagochtend op de woning van Hun Sen hebben beraamd, beweert Hun Sen, maar dit lijkt een onterechte beschuldiging.

Veel aannemelijker is dat Hun Sen koste wat kost zijn felste politieke opponent wil uitschakelen, en een coalitie vormen met prins Norodom Ranariddh, zijn voormalige co-premier die hij vorig jaar nog gewapenderhand het land uitjoeg.

Zowel Sam Rainsy en Ranariddh vecht de uitslag van de verkiezingen aan die afgelopen juli werden gehouden, maar Hun Sen weet dat Ranaridhh een veel grotere opportunist is dan Sam Rainsy, en dat hij zich dus mogelijk “in het belang van het land” alsnog laat overhalen om tot de regering toe te treden, zoals zegslieden binnen de partij van Ranariddh deze week ook al opperden.

Als dat inderdaad gebeurt, ziet Hun Sen zijn scenario uitgevoerd. Ondanks intimidaties op grote schaal, inclusief een reeks politieke moorden, gaf de internationale gemeenschap zijn zegen aan de verkiezingen die Hun Sen in staat stelden zijn machtspositie te formaliseren. Daarom is het niet zonder cynisme dat Sam Rainsy zijn toevlucht heeft gezocht tot een VN-kantoor - het zoveelste staaltje van internationale onmacht in Azië.