Autonomie en engagement

'Autonomie en engagement', zo luidde de titel van een colloquium dat ik kort voor de zomervakantie bijwoonde. Het is een titel waar je heel wat kanten mee uit kunt, maar aangezien het symposium over de geesteswetenschappen ging, was wel duidelijk dat met engagement niet verloving was bedoeld en dat autonomie niet sloeg op de toekomstige status van Kosovo. Wat wel bedoeld was, was ook vrij simpel.

De wetenschapsbeoefening voltrekt zich in een zekere autonomie. Zij vindt haar oorsprong in verwondering en nieuwsgierigheid. Onderzoekers onderzoeken iets omdat zij daar aardigheid in hebben, uit zucht om te weten. Dat geldt voor de astronomen die het heelal verkennen even goed als voor filologen die oude teksten reconstrueren en interpreteren. In de wetenschap gaat het uiteindelijk alleen om de wetenschap zelf en telt uitsluitend de wetenschappelijke kwaliteit. In dit opzicht is de wetenschapsbeoefening dus autonoom. Zij bepaalt haar eigen koers en zij beoordeelt zich zelf. De buitenwereld kan niet veel meer doen dan goede mensen aantrekken en goede arbeidsomstandigheden aanbieden. Dat is overigens al moeilijk genoeg.

Maar de wetenschap voltrekt zich natuurlijk niet in een isolement. Ook dit geldt voor alle wetenschappen. Als er nieuwe ziektes ontstaan, zoals AIDS, dan zal de medische wetenschap zich hierop richten. Als bepaalde kwalen zijn opgehelderd, zal het onderzoek daarnaar worden gestopt. Hetzelfde geldt voor de technische en de natuurwetenschappen en, per definitie, voor de sociale wetenschappen. En het geldt natuurlijk ook voor de geesteswetenschappen. De geschiedwetenschap bijvoorbeeld, die naar het bekende woord van Romein werkt In opdracht van de tijd, wordt bij uitstek door vragen uit de maatschappij beïnvloed. Bij de kwestie autonomie en engagement gaat het dus niet om of/of maar om en/en. Omdat de geleerde sprekers - het waren er niet minder dan zes - die hierover het woord moesten voeren dat natuurlijk ook wel wisten, maakten zij van de gelegenheid gebruik om ook een aantal andere punten aan de orde te stellen. Een van die punten was het inmiddels welhaast klassieke thema van de achterstelling en achteruitgang van de geesteswetenschappen. Ik gebruik de woorden 'welhaast klassiek', omdat in vrijwel alle nota's en beschouwingen over dit onderwerp deze verzuchting aan de orde komt. De namen van die nota's, zoals Tegen de stroom, drukken dit gevoelen al uit: het zijn moeilijke tijden en de geesteswetenschappen worden achtergesteld bij big brothers als de medische en natuurwetenschappen. Aldus spraken ook velen van onze sprekers.

Hoewel er heel wat historici onder hen waren, vind ik dit toch een weinig historische benadering. Ze is weinig historisch, omdat de geschiedenis niet primair streeft naar beschrijven en veroordelen, maar ook en vooral naar verklaren. Zoals de grote historicus Fruin, die door een van de sprekers werd aangehaald, al in 1867 opmerkte in zijn artikel over De nieuwe historiographie: 'De nieuwe historische school wil niet enkel verhalen, zij wil ook verklaren wat gebeurd is.' Deze 'nieuwe historiographie' is dus al meer dan honderd jaar oud, maar dit beginsel geldt nog steeds. Wanneer de politiek, de overheid, het parlement, de maatschappij of wie dan ook, de geesteswetenschappen achterstelt, dan gaat het er voor de historicus primair om te verklaren waarom dit gebeurt. Hij heeft natuurlijk ook het volste recht om dit te betreuren, maar dat is toch iets minder interessant.

Ik vind de klacht ook onhistorisch, omdat men zo uit het oog verliest, dat op de langere termijn gezien er eerder van groei van de cultuur- en geesteswetenschappen sprake is dan van krimp. De universiteiten hebben de laatste jaren inderdaad te maken gehad met vaak pijnlijke bezuinigingen, waardoor op verschillende plaatsen de personeelbezetting is verminderd. Soms verdween zelfs een hele studierichting, maar dat was slechts zelden het geval. Vaker ging het om de voortzetting van een afdeling met minder docenten. Als gevolg hiervan verdwenen ook bepaalde specialismen. Toen de situatie bij de kleine letteren - dat zijn in hoofdzaak de Oosterse talen en culturen - kritiek dreigde te worden, kwam een reddingsoperatie op gang, waardoor de schade beperkt bleef. Vergeleken met de jaren zeventig is er dus zeker sprake van achteruitgang, maar vergeleken met de jaren vijftig en a fortiori met de jaren dertig is er sprake van een aanzienlijke groei.

Niet onhistorisch, maar ook niet helemaal terzake, is de vaak - en ook toen weer - gemaakte vergelijking tussen alfa- en bèta-faculteiten en de klacht dat deze laatste een veel gunstiger staf-studentratio hebben dan de eerste. In Leiden, zo merkte een overigens verfrissend vrolijke spreker op, zijn er ongeveer evenveel studenten Engels als biologie, maar Engels heeft slechts drie hoogleraren en biologie zes. Als dat zo is, dan zou ik daar, als ik dekaan was, ook vaak op wijzen en op klagende toon over spreken. Dat hoort bij de baan. Maar toch is de echte vraag natuurlijk niet waarom biologie meer hoogleraren heeft dan Engels, maar of drie professoren voor Engels voldoende of onvoldoende is. Daarover valt eigenlijk alleen maar te zeggen, dat hierover in absolute zin niets te zeggen valt. Veertig jaar geleden waren er slechts twee hoogleraren voor Engels en vóór de oorlog was er geen een, omdat de minister vond dat Leiden de moderne talen niet hoefde te hebben, aangezien Groningen die al had. Zo kon je ook na de oorlog, tot eind jaren vijftig, in Leiden geen Duits studeren.

Hiermee is niet gezegd dat dit er allemaal niets toe doet, maar alleen dat de omvang van ieder docentenkorps overal ter wereld wordt beïnvloed door de hoogte van het nationaal inkomen en het aantal ingeschreven studenten. Als die aantallen stijgen, dan groeit het docentenkorps en als zij dalen, dan krimpen ook de personeelsformaties.

De groei en de bloei van de geesteswetenschappen hangen echter niet alleen van dit soort factoren af. Zoals enkele sprekers naar voren brachten, zijn er ook veel positieve ontwikkelingen aan te wijzen. Op verschillende gebieden nemen de Nederlandse onderzoekers een vooraanstaande plaats in, ook internationaal gezien. Dat laatste is trouwens niet alleen zaligmakend, want niet alle vakgebieden zijn internationaal georiënteerd. Historici en neerlandici richten zich doorgaans primair tot het Nederlandse publiek. En met succes. Het is niet moeilijk de namen van verschillende van hen te noemen die de laatste jaren succesvolle, bekroonde en veel gelezen boeken hebben gepubliceerd. Het aardige hierbij is bovendien dat die boeken vaak zowel door collega's als belangrijk en vernieuwend werden aangeprezen, als ook door een groot publiek werden gewaardeerd. Roem, eer en royalties, en dat allemaal tegelijk. Waar vind je het nog? De geesteswetenschappers hebben dus eigenlijk niets te klagen. Het beste van twee werelden valt hun ten deel.