Theo van Gogh geeft sardonische en kafkaëske blik op de bankwereld; Claustrofobisch noodlotsdrama

De Pijnbank. Regie: Theo van Gogh. Met: Jack Wouterse, Paul de Leeuw, Roeland Fernhout, Eric van Sauers, Cammmilla Siegertsz, Justus van Oel, Aad Tobeck, Ted Schipper, Dave Schram. In: 12 theaters.

Het hele gebouw van de bank is ziek. Er zoemen lastige insecten die je nooit te zien krijgt en er lopen de hele dag arbeiders van een asbestverwijderingsbedrijf in hun maanmannetjespakken door de gangen, maar je ziet ze nooit iets doen. Die schijn van bedrijvigheid hebben ook de werknemers, ze doen niets, maar ze zweten zich te pletter. Misschien is de luchtkoeling kapot en misschien hebben de vier hoofdpersonen van De Pijnbank het om andere redenenen benauwd. Bijvoorbeeld omdat de enige manier om te overleven de ander te vernederen is, een venijnig dilemma. En daarom maken ze elkaar het leven zuur, hun ogen onbewogen, de druppels parelend op hun bovenlip.

Er is veel aan te merken op de achtste film van Theo van Gogh, bijvoorbeeld dat hij soms wat slordig is (maar hij is dan ook in slechts twaalf dagen zonder enige vorm van subsidie opgenomen), niet voorziet in eenvoudige antwoorden en tegelijkertijd met zevenmijlslaarzen van naturalistische banktaferelen naar het christelijke lijdensverhaal dendert en weer terug, maar mij bevalt de kafkaëske sfeer die Van Gogh zo weet op te roepen wel. Het verhaal (naar het gelijknamige toneelstuk van acteur/cabaretier Justus Van Oel) is in wezen vrij eenvoudig. Een kleine familiebank is onlangs gefuseerd met een andere bank en de nieuwe manager (Roeland Fernhout) wil zo snel mogelijk de bezem door het personeelsbestand halen. Omdat ontslag duur en omslachtig is, hoopt hij dat de oude employees zelf opstappen en hij versnelt dat door twee van hen, De Bock (Jack Wouterse) en Krawinkel (Eric van Sauers) tegen elkaar uit te spelen. Hij roept daarbij de hulp in van een ooit door De Bock failliet verklaarde ondernemer (Paul de Leeuw).

De film lijkt een beetje op Glengarry Glenn Ross, het toneelstuk van David Mamet, dat door James Foley werd verfilmd en door Toneelgroep Amsterdam een aantal jaar geleden werd uitgevoerd, over de bittere concurrentiestrijd tussen de makelaars van een armoedig vastgoedkantoor. Ook daarin was de sfeer belangrijker dan de exacte ontrafeling van ieders beweegredenen. Van Goghs film is echter minder troosteloos in het schetsen van zijn neergang, maar duisterder, sardonischer soms en op andere momenten verrassend lichtvoetig.

Net als in Glengarry Glen Ross staat of valt de film met de acteerprestaties van de hoofdpersonen. Jack Wouterse volbrengt deze krachtsinspanning met volle overgave. Moeiteloos laveert hij tussen waanzin en woede-uitbarstingen, ingehouden venijn en gevaarlijke kalmte. Zijn De Bock krijgt nooit al je sympathie of afkeuring, waardoor je naar hem kunt blijven kijken. Eric van Sauers biedt kalm tegenspel. Paul de Leeuw lijkt zich, in een cruciale rol, soms zo dienstbaar en bescheiden op te willen stellen dat de wreker annex masochistische Christusfiguur die hij neerzet onnodig vlak blijft. De casting van Roeland Fernhout, die zijn blaaskakerige nieuwe ondernemer uit Het jaar van opvolging doubleert is echter weer wel op z'n plaats. Maar die tour de force van de acteurs zou nooit zo indringend kunnen zijn zonder de claustrofobische cameraregie; het lijkt wel alsof de camera voortdurende slome kringen draait op de vierkante centimeter. Prachtig is de scène waarin Fernhout Wouters de wacht aanzegt en de camera maar om die mannen heen blijft bewegen, een lange take, er komt geen einde aan. Door de camera even tartend en sadistisch te laten zijn als de hoofdpersonen speelt regisseur Theo van Gogh zelf de intrigerendste rol in dit noodlotsdrama.