Juridische haken en ogen aan 'Lockerbie'

Volgens de Libische advocaat van de verdachten van de aanslag op een Amerikaanse Boeing boven Lockerbie moet er nog wel het een en ander worden geregeld voor ze in Nederland kunnen worden berecht. Maar een deel van zijn punten is nogal gezocht.

AMSTERDAM, 9 SEPT. Take it or leave it, was de boodschap van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk toen ze instemden met berechting van de twee Libische verdachten van de aanslag boven Lockerbie in 1988 op een Amerikaanse Boeing 747 door een Schotse rechtbank in Den Haag. Daarover is een formele overeenkomst gesloten tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Libië had al eerder de optie van berechting in een ander land aangegeven en daarbij de toepassing van Schots recht niet uitgesloten. Instemming met zo'n proces in Nederland blijft echter uit, ondanks alle gebaren naar Den Haag als nieuwe internationale stad voor de rechtspraak.

De Libische advocaat van de verdachten verklaarde gisteren in deze krant dat hij geen voorwaarden stelt. Wel is er volgens hem nog een aantal losse einden waarin moet worden voorzien voordat het proces kan plaatshebben. Voor een deel zijn de punten die advocaat Ibrahim Legwell opwerpt nogal gezocht. Zo noemt hij “wettelijke garanties voor een eerlijk proces” nodig. Dat zijn ze ongetwijfeld, maar daar is de Arabische Liga, die Legwell ten tonele voert, niet voor nodig. Als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk is Schotland partij bij het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dit voorziet met zoveel woorden in waarborgen voor een fair trial.

Na het doorlopen van eventuele Schotse beroepsprocedures is in de Lockerbiezaak in principe ook nog een beroep op het Europees Hof voor de mensenrechten in Straatsburg mogelijk. Dat kan even duren, maar de consequenties voor Nederland als gastland zijn te overzien. Het Lockerbieproces - en dus het gastheerschap - is volgens de overeenkomst afgelopen wanneer de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Dat omvat wel de Schotse beroepsprocedures maar niet een beroep op het Europese Hof.

Advocaat Legwell suggereert ook dat de verdachten bij een eventuele veroordeling hun straf in Libië zelf moeten uitzitten. Dat ligt volgens hem in de lijn van het statuut voor het Internationale strafhof dat deze zomer in Rome werd opgesteld. Van enige voorrang voor het land van herkomst is in dit statuut echter geen sprake. Het laat het nieuwe hof de keuze uit landen die zich hebben aangemeld voor de tenuitvoerlegging van de oplegde vrijheidsstraffen. Als die niet beschikbaar zijn, draait het gastland ervoor op. Maar dat scenario is in de Lockerbiezaak niet aan de orde, omdat Nederland zich in het geval van een veroordeling heeft verbonden tot uitlevering aan Groot-Brittannië.

Bestaat echter niet het risico dat de VS tussenbeide komen en de verdachten opeisen? Nederland heeft een uitleveringsverdrag met de VS, merkt advocaat Legwell veelbetekenend op. De VS hebben belang bij de twee Libiërs en plegen zich weinig te bekommeren over de manier waarop gezochte verdachten voor de Amerikaanse rechter terecht komen.

De vraag is echter niet wat de VS willen, maar wat Nederland doet. De overeenkomst met het Verenigd Koninkrijk over de Lockerbiezaak bevat enkele remmen. De algemene regels voor internationale rechtshulp blijven van toepassing maar alleen voorzover de overeenkomst daarvan niet afwijkt. En daarin legt Nederland vast zijn strafrechtelijke jurisdictie met betrekking tot de twee verdachten niet te zullen uitoefenen (tenzij ze eenmaal op Nederlands grondgebied iets vreselijks zouden doen). Dat geldt inclusief uitlevering aan een ander land dan Groot-Brittannië na een definitieve veroordeling.

Een zwak punt is wel dat de VS geen partij zijn bij de overeenkomst tussen Nederland en Groot-Brittannië, noteert prof. A.H.J.Swart, auteur van een handboek over uitleveringsrecht. Maar de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, heeft uitdrukkelijk met de overeenkomst ingestemd. En dat maakt een eventuele Amerikaanse poging om in het Lockerbieproces in te breken, internationaalrechtelijk gezien uitgesproken zwak.

Toch is ook nog een afzonderlijke regeling tussen Libië en Nederland nodig, betoogt Legwell. Nederland weet toch dat geen uitlevering mogelijk is zonder verdrag? Hij spreekt zichzelf echter tegen, want hij zegt ook dat het Libische volkscongres - een soort parlement - de beslissing al dan niet naar Den Haag te gaan, heeft overgelaten aan de twee verdachten zelf. Dan is er ook geen sprake van uitlevering en komt de vraag van de juridische uitleveringsbasis niet aan de orde.

Bij de vrijwilligheid van hun eventuele komst passen op zichzelf vraagtekens, noteert Swart. De vraag is of Nederland als gastland en als rechtsstaat daaraan voorbij kan gaan. Stel dat het tweetal na de zogeheten vrijwillige aankomst en aanhouding zich tot de Nederlandse rechter wendt met de klacht dat zij gedwongen werden? Op grond van het klassieke habeas corpus-beginsel zal de rechter een gehoor moeilijk kunnen weigeren, zo zegt ook het Europees Hof voor de mensenrechten. Zijn jurisprudentie in het geval van een verdachte die met een list uit Frankrijk naar Duitsland werd gelokt, geeft dit scenario voor de Libiërs echter niet veel hoop.

De verdragseis is in elk geval geen harde regel van internationaal recht, zegt Swart. De Nederlandse grondwet vereist weliswaar een verdragsrechtelijke basis voor uitlevering van personen door ons land aan een ander land, maar dat is geen belemmering voor onze justitie gebleken om mensen op te eisen van andere landen zonder dat er een verdrag bestaat. Nederland en Libië zijn bovendien beide aangesloten bij het verdrag van Montréal over aanslagen op vliegtuigen. Dat kan desgewenst als juridische basis voor uitlevering dienen.

Een complicatie is wel dat de Libische grondwet uitlevering van eigen onderdanen heet te verbieden. Maar daar verandert de gevraagde regeling met Nederland weinig aan. Wat dat wel doet zijn de zware resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waarin Libië wordt bevolen de twee verdachten over te dragen.

Libië protesteert tegen het politieke karakter van dergelijke uitspraken en zegt dat de overdacht veeleer een kwestie is van juristen. Het beroept zich voor deze stelling op het Handvest van de Verenigde Naties, met name de bepaling dat de Veiligheidsraad in aanmerking dient te nemen dat geschillen tussen staten in beginsel moeten worden verwezen naar het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Het desbetreffende hoofdstuk van het Handvest stelt echter voorop dat een schikking verreweg de voorkeur verdient.