Het recht op een voetnoot

Harry G.M. Prick. In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890. Athenaeum-Polak & Van Gennep, ƒ 72,50.

Lodewijk van Deyssel was negentien toen zijn vriend François Erens per brief informeerde hoe het stond met de 'veroveringen op galant terrein'. Erens was zeer geïnteresseerd in 'het aanvallige kind uit de houten verdommenis'.

Sinds 1987 ik ook. In dat jaar publiceerde Harry G.M. Prick de brief in het november/decembernummer van het literaire tijdschrift Maatstaf en meldde in een voetnoot - Prick is verzot op noten - dat hij nog niet had kunnen achterhalen welk meisje werd bedoeld. In het eerste deel van Pricks onvolprezen Van Deyssel-biografie 'In de zekerheid van eigen heerlijkheid' - zojuist verscheen de tweede (verbeterde) druk in paperback - noemt hij eindelijk haar naam: Marie Coenen. Zij maakte Van Deyssel zoals hij het zelf omschreef 'dronken van geluk en mannelijke blijdschap, want ze is schoon als de zon en aanmoedigend als een kalfsbiefstuk'. Geen woord over de houten verdommenis.

Navraag bij de 'altoos volhandige' biograaf leert dat hij elf jaar geleden al door een handvol lezers is gewezen op het feit dat ook een houten verdommenis recht heeft op een noot. Prick: “Ik zal je niet vermoeien met mijn niet aflatende pogingen die noot alsnog te leveren. Alle mensen die toen riepen dat ze mij zouden melden in welke richting, in welke boeken, in welke tijdschriften ik met kans op succes zou moeten gaan zoeken, hielden zich muisstil; ze herinnerden zich al vlug niet meer dat ik mij aan hun toezeggingen en adviezen voor even had vastgeklampt. In al die jaren raakte ik niet achter de betekenis van die houten verdommenis. Wie dom is en blijft, wordt tenslotte toch nog slim. Met veel binnenpret 'weigerde' ik de houten verdommenis de toegang tot het eerste deel van de biografie. Maar nu ben jij het die, verrassenderwijs, deze boemerang bij mij doet terugkeren”.

Religieuzen denken bij een houten verdommenis vermoedelijk aan een houten broek (= preekstoel), in het verdomhoekje zitten of aan de befaamde eeuwige verdoemenis. Ik niet. Omdat Van Deyssel op 11 februari 1884 Erens' vraag per brief beantwoordde met 'Het aanvallige kind uit de houten Verdommenis, waarnaar gij zoo heusch zijt te informeeren, bestaat nog steeds voor mij en onze zoete min duurt voort, twee maal in de week', denk ik aan een armelijk onderkomen, een aaneen geklonterde treurnis, een uit wrakhout opgetrokken krocht. Voor het geestesoog doemen bouwvallige barakken op met sinaasappelappelkistjes als wankel meubilair. Ik zie een troosteloze gribus. Kaantjes als feestmaal. Kapotgekookte kool. Glazige aardappelen met ranzig spekvet bij wijze van jus. Nachtspiegels die geleegd worden in een sloot met stilstaand water. Natuurlijk zijn alle mannen verslingerd aan huppelwater (= brandewijn); hun vrouwen hebben of een porwijk (= wekdienst) of doen dienstbodenwasjes. 's Winters werken ze als koffiepikster. Hun dochters waren een willige prooi, zeker als ze mooi waren als de zon en zo aanmoedigend als een kalfsbiefstuk.