De kunsttheologen gaan te ver

Bij het ochtendgloren van het nieuwe millennium liet magister Mondriaan als een grote tovenaar voor de ogen van zijn verbaasde volk de vrijgekomen miljoenen uit hun Bank de boogie woogie dansen. Het was een adembenemend schouwspel. Men zag hoe een geheime orde van kunstpriesters met een verbluffende driebandenstoot de gouden bal van de Bank precies in de slaapkamer van een Amerikaanse miljonair wist te mikken, gedreven als zij was door het geloof dat daar 'de Nachtwacht van de twintigste eeuw' hing.

Men kon daarbij uitrekenen dat een twintigste-eeuwse Nachtwacht voor 80 miljoen nog een koopje was vergeleken met een zeventiende-eeuwse Nachtwacht, die nog voor geen 80 miljard de deur uit gaat. Maar dan moest de Victory Boogie Woogie natuurlijk wel ècht de twintigste-eeuwse Nachtwacht zijn die het kunstgeloof erin zag. De Nachtwacht van de Gouden Eeuw werd pas twee eeuwen na zijn ontstaan echt 'onze Nachtwacht', daar had het laaglandse volk veel tijd voor nodig gehad. In ieder geval genoeg om van het volmaakt voltooide meesterwerk aan weerszijden grote repen af te scheuren - niemand was toen nog bang voor Red Yellow and Blue. Ook Van Gogh zou aantonen dat tijdgenoten vaak de laatsten zijn om de zo gewilde eeuwigheidswaarde in hun omgeving te kunnen herkennen. En vaak worden hun favoriete doeken later met de rug bekeken. Waarom zou zoiets in de Tweede Gouden Eeuw ondenkbaar zijn?

Om de kans daarop te verkleinen werden deskundigen aangetrokken, smaakkardinalen en kunstpriesters, die naar eer en geweten hun Muze dienden - de godin die geen sterveling in de ogen vermag te kijken om te beslissen: hic est Ars! In hun kunsttheologie ontwikkelden zij gaandeweg heel diepe vormen van kunstgeloof, zoals het geloof in 'het wonder van de onafheid', of in 'de destructie van de melodie', of in 'de tegenstelling van pure uitdrukkingsmiddelen'.

Ja, in deze doctrine ging het vooral om 'puurheid', om de 'essentie', want dat is van oudsher het ideaal van de priesterkaste: Gods wil te kennen om de toekomst te beheersen. Maar het verwend morrende volk in de toch zo geloofszieke polders bleef op alle nog overgebleven netten van de Amsterdamse armeluiskabel zijn verstokte ongeloof in de nieuwe Nachtwacht belijden. Dit soort hogere matjesvlechten konden zij zelf ook wel, en heel wat goedkoper. Het was allemaal willekeur en dwingelandij.

Net als de traditionele kerkpriesters bij geloofsafval zochten de museumpriesters daarop hun heil in propaganda, vermomd als vaderlijke opvoedingsliefde. Volgende generaties zouden het allemaal veel beter begrijpen en in hun hiernamaals op aarde zouden de priesters gelijk krijgen, want hic est eeuwigheidswaarde.

Wat de kunstenaars intussen als allerlaatsten uit de geschiedenis geleerd leken te hebben was in zulke dure geloofszaken niettemin het hardst nodig geweest: een beetje bescheidenheid. Bescheidenheit aus Bescheid wissen, daar was geen sprake van. Integendeel. De aanmatigende zekerheid waarmee nu al over het oordeel van toekomstige generaties werd beslist was ronduit lachwekkend en even aantrekkelijk als de geborneerde zekerheden van de Talibaan uit de woestijnen van de geest.