Audi maakt met Götterdämmerung Der Ring des Nibelungen op geserreerde wijze rond; Een heilzame esthetische en ethische zuivering

Voorstelling: Götterdämmerung van R. Wagner door Nederlandse Opera en Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Regie: Pierre Audi. Gezien: 8/9 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen t/m 30/9 (uitverkocht).

Volgend jaar juni gaat Der Ring des Nibelungen vier keer als cyclus in het Amsterdamse Muziektheater en is dan ook op tv en radio.

Götterdämmerung is de afronding van Der Ring des Nibelungen en in de productie van regisseur Pierre Audi en decorontwerper George Tsypin toont de Nederlandse Opera dat letterlijk.

Het decor bestaat uit ringen, spiralen en gebogen vlakken. Door de spiegeling in de glazen speelvloer ontstaat een halve bol, een universum dat elementen uit Das Rheingold, Die Walküre en Siegfried verenigt. Toch lijkt de ruimte na de soms peilloze verten in de vorige opera's begrensder en verschaft die meer intimiteit aan Wagners personages.

Rond die bol bevindt zich het Walhalla waar de goden, die we zagen in de vorige Ring-afleveringen, zich nu onzichtbaar ophouden. De 'adventure-seats', de rechte bakken waarin tot nu toe een deel van het publiek hoog boven de scène zat, hebben zich gekromd rond deze bol. Zelfs het hele publiek is daarin nu opgenomen, want de halve bol op het podium wordt gecompleteerd door de halfronde vorm van de zaal.

Voor het eerst wordt de zaal van het Amsterdamse Muziektheater gebruikt zoals die in de jaren zestig werd ontworpen door de architecten Bijvoet en Holt: als een 'théâtre-en-rond'. Dat blijkt vooral in de slotscène, wanneer Brünnhilde de brandstapel met het lijk van de vermoorde held Siegfried ontsteekt en het Walhalla doet opvlammen. Het decor kleurt rood en langs de balkons in de zaal lichten rode tl-buizen op.

Niet alleen de liefdeloze wereld, waarin Brünnhilde door Siegfried werd verraden, maar het hele universum wordt vernietigd. Althans zo lijkt het, want dan opeens doorspietst de speer van Wotan van buitenaf een houten decorplaat. Met de oude geslepen oppergod, die er volgens Waltraute zo treurig aan toe zou zijn, valt toch niet te spotten. Zijn versplinterde speer is gerepareerd. Wotan is niet dood, en al verlangde hijzelf naar 'das Ende', hij leeft voort.

Audi heeft met zijn Ring-enscenering niet gekozen voor een eenduidige en daardoor eenvoudig sluitende verklaring van Wagners complexe tetralogie. Maar zijn interpretatie behelst meer dan een geheel open einde. Hij geeft in zijn half-mythische en half-mystieke enscenering allerlei impulsen tot nadenken achteraf, al levert dat bij mij niet direct geheel nieuwe gezichtspunten op.

Goden, goed of kwaad, zijn eeuwig en onuitroeibaar. Als ze er niet waren, zouden ze onmiddellijk worden uitgevonden. Al is de Ring teneinde, al is de cirkel van het verhaal gesloten, al is de aarde in een apocalyps tenondergegaan, de universele historie gaat door. De toekomst bestaat nog en de nornen, die we in de eerste scène van Götterdämmerung zagen, zullen voortspinnen aan de draad van de geschiedenis. Het is nog niet bewezen, dat de 'big bang' onvermijdelijk resulteert in de 'big crunch'.

Het Rijngoud is aan het eind van Götterdämmerung terug in de Rijn waar het hoort, voor het in Das Rheingold werd geroofd door de Nibelung Alberich. Het Rijngoud bestaat uit tandwielen en raderen, die het mechanisme van de historie weer in gang zullen zetten. Het slot van de Ring heet dan ook Götterdämmerung - 'godenschemer' - en niet Götterendlösung.

Hoezeer de goden mogen lijken op mensen - ook in Audi's ensceneringen van opera's met Grieks-mythologische verhalen - de opperwezens onttrekken zich aan de wetten van de mensen, zelfs aan de natuurwetten. Hun symbolen staan dan ook haaks op de gekromde ruimte van het universum. De altaren van de goden Wotan, Fricka en Donner - reusachtige massieve balken van natuursteen - doorbreken de ruimte, net zoals Wotans speer die doorklieft.

De Götterdämmerung-enscenering van Audi en Tsypin is theater-technisch veel eenvoudiger van aard dan de vorige Ring-afleveringen. De bijna twee uur durende eerste acte levert ook puur dramatisch weinig op. Het sluiten van de 'Blutbruderschaft' tussen Siegfried en Gunther is nauwelijks weerzinwekkend. Het maakt van hen wel het dubbel-personage, dat Brünnhilde overweldigt en haar de ring ontrooft. Siegfried is daar de schaduw van Gunther.

De tweede acte is veel sterker dankzij het massale optreden van Hagens mannen, die worden opgeroepen met middeleeuwse natuurhoorns. Het is een enerverende scène die voortbouwt op het koor van harnassen in de Amsterdamse enscenering van Parsifal van Klaus Michael Grüber. Het slotspektakel van de derde acte is uiterst geserreerd en zelfs bijna geheel conceptueel. Het beeld van Brünnhilde op de brandstapel wordt gerealiseerd door haar te omhangen met een groot golvend rood doek. Götterdämmerung eindigt niet in een grote fysieke en visuele kladdaradatsch. De ondergang van Audi's wereld is geen verpletterend en schrikwekkend onvoorstelbaar pandemonium. Het is een heilzame zuivering, een even esthetisch als ethisch evenement.

Wellicht mede daarom reageerde het publiek nogal terughoudend op deze voltooiing van de eerste Nederlandse Ring-productie, die precies een jaar geleden begon. Een aantal vocale prestaties was teleurstellend. Heinz Kruse is hersteld van zijn val in Siegfried, waarin hij de titelrol vervulde, maar hij kan met zijn vlakke stemgeluid zijn toenmalige vervanger Stig Andersen niet doen vergeten. Kruses Siegfried is een wat vermoeide en oud ogende anti-held. Het enige opmerkelijke was dat hij zich na zijn dood niet liet wegdragen: hij liep zelf het podium af.

Jeannine Altmeyer, die als Brünnhilde Götterdämmerung moet dragen, bleek wisselvallig. Haar zingen was een vrijwel voortdurend pompen en leeglopen, minder overtuigend dan in Die Walküre, in alle opzichten het best gelukte Ring-onderdeel. Acterend is Altmeyer beter: Brünnhilde is deerniswekkend en bewonderenswaardig. Nornen en Rheintöchter voldeden goed, evenals Wolfgang Schöne (Gunther), Eva-Maria Bundschuh (Gutrune), Henk Smit (Alberich) en de uitstekende Anne Gjevang (Waltraute). Verreweg de beste zanger is Kurt Rydl als Hagen, een echte kerel naast wie de andere mannen hier slechts Wagner-watjes zijn. Dirigent Haenchen is met de slanke en niet slepende begeleiding door zijn Nederlands Philharmonisch Orkest de andere held van deze uitvoering, ontsierd door technische probleempjes. Al leek aan het slot Wotans speer juist hem te willen treffen, Haenchen bleek - anders dan Siegfried - onkwetsbaar.