W. DREES (1922 - 1998); Verdwaald in de politiek

DEN HAAG, 8 SEPT. “Als je veel boeken hebt, geeft de gemeente toch ook geen boekenkast? Zo zal men ook moeten betalen als men zijn auto wil stallen voor zijn huis.” Ruim een kwart eeuw geleden trok de zaterdag overleden Willem Drees tijdens een kortstondig ministerschap op Verkeer en Waterstaat ('71-'72) met zulke opvattingen sterk de aandacht. Meer nog, de man die als debuterend politicus en lijsttrekker van de PvdA-afsplitsing DS'70 in 1971 in één klap acht zetels in de Tweede Kamer had gehaald, stond daardoor een jaar later bij velen te boek als landelijk autohater nummer één. Vooral aan het Binnenhof maakte hij naam als vriendelijke maar ook onbuigzame propagandist van het destijds nog onbeminde profijtbeginsel. De koopkrachtige burger mag volgens dat beginsel zelf best wat meer betalen voor, bijvoorbeeld, zijn zwaargesubsidieerde stoel in de schouwburg.

Drees, geboren in 1922, had een briljante carrière doorlopen voordat hij met DS70 in de politiek belandde. Hij had voor het IMF in de VS en in Indonesië gewerkt, was plaatsvervangend directeur van het Planbureau, directeur Rijksbegroting en thesaurier-generaal op Financiën en buitengewoon hoogleraar openbare financiën in Rotterdam geweest. Als minister wekte hij verbazing door over vrijwel alle bestuurlijke kwesties beredeneerde meningen te hebben, die hij soms op blocnotevellen noteerde en in de ministerraad onder de collega's liet rondgaan. Dat was goedbedoelde hulp waarover de collega's gemakkelijk razend werden. Hulp ook die duidelijk maakte dat deze Drees, zoon van de beroemde minister-president, eigenlijk toch een beetje verdwaald was in de politiek.

De sfeer in het centrum-rechtse kabinet-Biesheuvel ('71-'72) had onder de aanhoudende vertogen van Drees te lijden gehad, al was dat dan niet de enige reden dat het al zo snel ontplofte. Het was een parlementair kabinet dat in een lange en chaotische zondagnacht in het Catshuis sneuvelde. De arme fractievoorzitter van DS'70 in de Tweede Kamer, Jan Berger, werd die nacht niet door Drees ingelicht en hoorde de ochtend erna pas dat er een crisis was.

Drees junior, een aanduiding die hij verafschuwde maar die hij tot het overlijdensjaar van zijn vader (1988) toch steeds moest horen, was na een prachtige ambtelijke en wetenschappelijke loopbaan min of meer toevallig op zo'n prominente plek in de politiek beland. Met vele anderen, maar toch niet met zoveel anderen als de oprichters van DS'70 hadden gehoopt, had hij de PvdA verlaten. De koers van de PvdA was hem naar zijn smaak te (nieuw)links en te polariserend. Lijsttrekker had hij niet willen worden, wat gelet op zijn naam tamelijk naïef was. Vervolgens hielp hij de coalitie-Biesheuvel (met KVP, ARP, CHU en VVD), die lang voor de verkiezingen alvast in een Londense hotelkamer was afgesproken maar die slechts 74 zetels kreeg, in 1971 aan een meerderheid. Zo was hij, hoewel naar eigen inzicht altijd sociaal-democraat gebleven, in het polarisatieklimaat van die jaren zijns ondanks 'rechts' geworden.

Meer nog, en paradoxaal: na de val van het kabinet-Biesheuvel trad in 1973, drie jaar na de oprichting van DS'70, het door de PvdA gedomineerde kabinet-Den Uyl aan. Drees bleef nog Kamerlid totdat DS'70, in 1977, nog maar één zetel over had.

Na dit mislukte avontuur nam hij teleurgesteld afscheid van de actieve politiek. Daarna kwam hij weer thuis, letterlijk bijna, namelijk als lid van de Algemene Rekenkamer.