Studentenzweet

“Hoi Iegrek, je spreekt met Angela van het uitzendbureau. Ik heb een hartstikke leuke baan voor je. Bij een uitgeverij. Je kunt morgen beginnen.” De stem door de telefoon is van iemand die het razend druk heeft, maar toch nog de tijd neemt om met je te spreken. Het is moeilijk tegen zo'n stem nee te zeggen. Zelfs als gevraagd wordt of je vijf dagen per week acht uur lang cijfers wil invoeren in een computer. Het kost moeite maar ik weiger. “Sorry”, zeg ik. Ik ben bang dat ik haar heel erg teleurstel. Maar het valt mee. Ze zoekt gewoon weer wat anders voor me. En dan belt ze gewoon weer even.

“Heb je wel eens in een bakkerij gewerkt?” vraagt de stem de volgende dag. “Nee”, zeg ik. “Lijkt het je wat?” Ik denk aan vroeg opstaan en de geur van versgebakken brood. Ik zie mij in de winkel staan en 'goeiemorgen' zeggen of 'een halfje bruin, anders nog iets?' Waarom ook niet, denk ik. Het is best leuk om iets te zijn wat je nog nooit bent geweest.

Op de fiets is het een flink eind naar mijn bakkerij. Overal eten ze brood, maar een industrieterrein had ik niet verwacht. Toch is dit het juiste adres. Ik word binnengelaten in een loods. Binnen is het verstikkend heet.

“Dit is nog koel”, legt Jan, de afdelingschef, mij uit, “het wordt hier regelmatig veertig graden.” Hij leidt mij rond. Gigantische machines poepen aan de lopende band broodjes uit. “Een half miljoen broodjes per dag”, zegt Jan trots. De machines zijn heel erg duur, vertelt Jan verder. Hij noemt een bedrag dat ik onmiddellijk weer vergeet. Jan is duidelijk erg trots op de machines.

Aan de andere kant van de loods staan vier mensen in witte pakken. Jan stelt mij voor. Ik schud handen met Rachid, Hassan, Akhmed en Mohammed, en kan aan de slag. Mohammed legt uit wat de bedoeling is. De machine maakt het brood. Onze taak is de machine met deeg te voeden. Nooit mag het ding zonder deeg zijn. Steeds opnieuw stort ik er bakken vol deeg in. En steeds als ik met een nieuwe lading aankom, ben ik maar net op tijd.

Het deeg dat ik maak is niet goed, zegt Mohammed. Dat weet hij, omdat hij een hap neemt van het kleverige goedje en erop begint te kauwen. “Is het lekker?” vraag ik. “Mijn deeg wel”, zegt hij. “Jouwe niet.” Hij spuugt het verachtelijk weer uit.

Het zweet stroomt na een half uur van mijn voorhoofd, mijn hele lichaam is doorweekt. “Studentenzweet”, zegt Jan, als hij even komt kijken, “dat gaat wel over.” Ik vind mijzelf reuze stoer. Ik sleep met zakken van vijftig kilo bloem en zit onder het meel. Als ik de fabriek uitloop en de frisse lucht inadem, ken ik zelfs een euforisch moment. Bovendien heb ik tachtig gulden verdiend.

Twee dagen later is er plotseling consternatie. Mohammed loopt druk te gebaren. “Iegrek!” Jan de afdelingschef roept mij. Er is een lopende band vastgelopen, die de broodjes van de oven naar beneden doet glijden. Daarna worden ze weer helemaal naar boven getransporteerd, waar een stuk of tien vrouwen uit Ghana ze in hun verpakking doen.

“Iegrek” zegt Jan, “ga hier maar even zitten.” Hij wijst op een plek vlak voor de oven waar al een stuk of tachtig broodjes op een berg liggen. “Pak de broodjes en duw ze naar beneden.” “Oké”, zeg ik.

Ik krijg een paar handschoenen waar helaas gaten in zitten en begin mijn nieuwe taak als lopende band. Ik duw de broodjes, zodra ze uit de oven komen, naar beneden. Mijn handen beginnen na vijf minuten te prikken van de hitte. De oven ademt onafgebroken in mijn gezicht. Zes broodjes hier... zes broodjes daar... zes broodjes hier... zes broodjes daar...

Als Jan in het voorbijlopen vraagt hoe het gaat, schiet ik hem aan: “Is het niet mogelijk om de oude lopende band weg te halen en hier een metalen plaatje schuin tegen aan te zetten?”

“Hoe bedoel je?” vraagt Jan.

“Ik bedoel de zwaartekracht. Door het hoogteverschil vallen ze vanzelf.”

“Nog even doorgaan” zegt Jan. “Ik zoek zo een vervanger voor je.”

Als ik de volgende dag aan het werk ben, komt Jan mij halen. “Kom even mee naar het kantoortje.” Het kantoortje is een glazen hok waar het iets koeler is.

“Iegrek”, zegt Jan tegen mij, “ik zal maar eerlijk met je zijn. Je bent niet de bakker die we zoeken. Wil je vandaag de dag nog volmaken of wil je naar huis?” In het kantoortje geeft een raam uitzicht op de buitenwereld. Ik kijk naar de blauwe lucht en zeg dat ik liever nu wil gaan.

Als ik Angela het verhaal vertel, is ze heel verbaasd. “Je bent ontslagen?” vraagt ze. “Waarom?”

“Ik was gewoon niet de bakker die ze zochten”, antwoord ik en haal mijn schouders op. Ze vindt zeker wel wat nieuws voor mij.