Naar de dokter

Rood = Dokter/Tandarts Geel = Educatief Groen = Bezoek/Advocaat/Reclassering Wit = Kapper

Bij elke nieuwe kleur steekt de blauwe het desbetreffende kaartje triomfantelijk omhoog. Alsof ik een kleurenblinde debiel ben.

“Nu krijg je rood, dat is hier dus niet tweemaal geel.”

Lachend kijkt hij me aan. Maar ik geef geen krimp. Hoe vaak zal hij die grap al niet hebben gemaakt? Tot vervelens toe. Ha, ha, ha, humor, hè!

“En denk erom na afloop altijd weer het kaartje hier.”

Hij wijst naar de kaartenbak. Keurig, kleur bij kleur, staan de kaartjes erin. “Van de 1120 aan de Centrale, de 104, 108, 121, 124 en 128 komen er aan.”

Samen met twee gelen en twee groenen gaan we onder begeleiding van een blauwe op weg. Bij het bordje 'Computer, Bibliotheek' slaan de gelen rechtsaf en bij de afslag 'Bezoek' houden de groenen het voor gezien.

Alleen met de blauwe loop ik door voor rood. Ik moet naar de dokter voor de medische keuring voor werk in een open kamp.

Al lopende probeer ik een paar zinnen op hem uit. “Fel licht hier hè, is het ver, hoe lang dienst vandaag?”

Maar het is onbegonnen werk, hij geeft geen krimp en bonkt woordloos door. Na twee trappen, een paar gangen en een X-Ray stuiten we op een andere blauwe in een glazen hok. “Neem jij hem verder over.”

Zonder me een blik waardig te keuren nokt hij af.

“Je kaartje?” Achteloos legt hij het achter de andere. Er zijn vier roden voor me en naast een ervan ligt de 'T' van Tandarts. Dat zijn er dus drie voor de dokter. Al ver voor de wachtkamer hoor ik ze kwekken. Er is geen touw aan vast te knopen. Het is ieder voor zich. De een spreekt Spaans, de ander Engels en de derde Arabisch en geen van hen houdt ook maar een moment zijn mond. Stuurloos razen de zinnen door het lokaal. Even vallen ze stil als ik binnenkom. Nieuwsgierig staren ze me aan, maar kwekken daarna weer even hard door.

De wachtkamer is bezaaid met vermanende teksten in allerhande taal: Spaans, Frans, Engels, Turks, Arabisch, Duits en na enig gezoek ook Nederlands. Het lijkt of ik in een ander land ben, alle nationale rampen zijn vertegenwoordigd: 'Drugs doden', 'Alcohol sloopt', 'Vrij veilig', 'Geef geslachtsziektes geen kans, gebruik condooms', 'Eén partner is meer dan zat'.

Een tafeltje in de hoek is bezaaid met folders over de meest uiteenlopende ziektes. Van voetschimmel tot kanker. Ook hier is het Nederlands ver in de minderheid.

In de deuropening van de doktersruimte doemt een halfnaakte Arabier op. Even blijft hij roerloos staan, aarzelt tussen terug en vooruit en stormt ineens vloekend en tierend de gang op. Er gaat een alarm af en uit het niets doemen vier blauwen op. Twee storten zich op de Arabier en de anderen vallen de doktersruimte binnen. “Gaat het?”

“Ja, het gaat wel weer.” Moeizaam krabbelt de dokter overeind, klopt het stof van zijn jas, pakt zijn stethoscoop en roept, alsof er niks is gebeurd, de volgende op. “Moet een van ons erbij blijven?”

Dreigend kijken de blauwen ons aan. Maar dat hoeft niet. Onverdroten pakt hij de draad weer op. Wie weet hoe vaak hij dit heeft meegemaakt?

“Verschuur.” Ik ben de laatste. Razendsnel raast hij met zijn stethoscoop over me heen, vuurt in hoog tempo de bekende vragen op me af: “Duizelig, aan het hart, suikerziekte, kanker in de familie...?” en tekent me zeker zes vragen te vroeg af als gezond. Ik mag naar een open kamp.