Lonen stijgen trager dan economie

DEN HAAG, 8 SEPT. Particulieren hebben in vergelijking met ondernemingen en de overheid het minst geprofiteerd van de stevige groei van de welvaart de afgelopen jaren. Een belangrijke oorzaak daarvoor is de loonmatiging, die door overheid, werkgevers en vakbonden wordt gezien als de basis van het huidige economische succes.

Dit blijkt uit een vanmorgen gepresenteerde publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over de Nederlandse economie in het jaar 1997. Vorig jaar - “een zeer goed jaar” volgens het CBS - groeide de economie met 3,6 procent, daalde de werkloosheid met 56.000 personen tot 438.000 personen en daalde het tekort van de overheid tot onder de een procent.

De baten van deze economische groei zijn echter niet overal gelijkelijk terechtgekomen. Hoewel er meer banen zijn gekomen en er dus meer lonen zijn uitbetaald aan particulieren, is het aandeel van de huishoudens in het netto beschikbaar inkomen gedaald van 80 procent in 1992 tot 75 procent in 1997. “Dat lijkt misschien weinig, maar als het aandeel nog altijd op 80 procent had gelegen hadden de huishoudens 27 miljard gulden extra te besteden gehad”, zei de econoom S. Keuning van het CBS bij de presentatie van het rapport.

Volgens het CBS is door de loonmatiging het reële loon van de werknemers “nagenoeg constant gebleven” de afgelopen jaren en is het loon dus achtergebleven bij de algehele welvaartsgroei.

De lastenverlichtingen van het kabinet-Kok hebben het aandeel van de huishoudens in het netto inkomen niet op peil kunnen houden. Ook mensen met een uitkering hebben naar verhouding weinig geprofiteerd van de welvaartsgroei.

Dat huishoudens de afgelopen jaren toch de nationale economie hebben kunnen oppeppen met hun bestedingen is volgens Keuning te danken aan de stijging van de huizenprijzen en mindere mate de stijgende koersen van aandelen. Met de overwaarde van hun duurder geworden huis als onderpand leenden particulieren in 1996 en 1997 zo'n 50 miljard gulden en dat geld is voor een groot deel uitgegeven voor consumptie.

Ook het massale deeltijdwerken in Nederland heeft de groei van de lonen gedrukt. Het aantal arbeidsjaren is in Nederland veel minder gestegen dan het aantal mensen met een baan.

“Nederlanders geven er de voorkeur aan om meer vrije tijd te hebben of voor de kinderen te zorgen, terwijl bijvoorbeeld Amerikanen meer werken”, zei Keuning: “Dat relativeert ook de waarde van de internationale vergelijkingen van bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking. Nederland zou hoger staan op de lijstjes als er meer kinderen in de kinderopvang zouden zitten en minder thuis werden verzorgd.”

De grote winnaar van de laatste jaren zijn de ondernemingen. Hun winsten zijn sterker gestegen dan het totale nationale inkomen. De bedrijven hebben daardoor meer vennootschapsbelasting afgedragen aan de overheid. Hun bijdragen aan de schatkist zijn ook toegenomen doordat met de al lang aanhoudende hoogconjunctuur de fiscaal compensabele verliezen beginnen te verdampen.

De overheid heeft het aandeel in nationaal inkomen zien stijgen en heeft daardoor volgens het CBS het financieringstekort zo snel omlaag kunnen brengen. De belastinginkomsten van de huishoudens daalden, die van de ondernemingen stegen. Keuning zegt: “De overheid is meer afhankelijk belastinginkomsten van het bedrijfsleven, maar doordat die meer fluctureren dan de loonbelastingen is de overheid kwestbaarder geworden voor economische schommelingen.”