Jeugd

Het zal de leeftijd wel zijn, maar feit is dat ik vaker aan mijn eigen voetbalclubs van destijds terugdenk dan 25 jaar geleden, toen de kicksen toch ook reeds tot stof en as waren vergaan. Ook schoot mij zeer onlangs een kreet te binnen van ene Otto, één van de voetballertjes op dat verrukkelijke landje achter ons huis, waar op het scherp van de snede werd gestreden tegen de jongens van de rooie pannenbuurt, een wijk uit Leidschendam, waar een menselijk gewas opgroeide dat van mening was dat zij stukken beter kon voetballen dan wij, die knulletjes uit Voorburg.

Otto was niet verder gekomen dan een plek in de denkbeeldige dugout en die reserveplaats beviel hem allerminst. “Als ik niet meteen mee mag doen, ga ik naar huis”, riep hij klagerig. “Nou, dan ga je toch”, riepen wij terug. Otto ging en draaide zich aan het eind van het veldje strijdlustig om en riep met brekend stemgeluid: “Als je maar weet dat ík beter piano speel dan jullie met z'n allen bij elkaar.” Eigenlijk een voltreffer, al zagen wij dat toen niet in.

Mijn ouders waren niet voluit gelukkig met mijn voetbalpogingen. Zij vonden dat ik altijd ietwat verwilderd thuiskwam van het veldje. Maar ook omdat deze activiteit enige huisvlijt met zich meebracht - we maakten in klein verband doelpalen en hoekvlaggen zelf - meenden zij toch ook wel iets positiefs in dat voetbalclubje te ontdekken. Mijn vader had gehoopt dat ik ooit een kundig turner zou worden. Dat was een sport die bij hem zeer hoog stond aangeschreven. Inderdaad verscheen er ooit een brug met gelijke leggers bij ons op zolder. Helaas was ik allerminst een slangenmens, terwijl ook na een min of meer geslaagde oefening de afsprong mij eeuwig ten val deed komen.

Geen turner dus, maar een voetballer. Ik moet toegeven, dat die sport op mij inderdaad verruwend werkte. Althans in de mond, want een veelheid van opzettelijke overtredingen maakte ik niet. Ik had namelijk van begin af aan een panische angst om uit het veld gestuurd te worden. Waar die schrik vandaan kwam, is me altijd een raadsel gebleven. Toen ik al veteraan was en meende het gebrek overwonnen te hebben kwam ik nog één keer in de problemen doordat ik als linksachter een pijlsnelle rechtsbuiten met zijn hoofd in de modder deed belanden, nadat hij mij drie keer op rij was voorbijgelopen.

De scheidsrechter knielde toen bij mij neer (ik was moedwillig mee ter aarde gestort) en vroeg mij verrassend-beleefd of ik in de pauze even in zijn kleedkamer wilde verschijnen. Niet helemaal gerust meldde ik mij, waarop de man een knipsel uit een voetbalblad tevoorschijn haalde, waarin ik geschreven had dat het met de sportiviteit de verkeerde kant uitging. Men schoot toenemend tekort in respect voor de tegenstanders en dat moest maar eens krachtig worden aangepakt. Die scheidsrechter heeft geen kind meer aan mij gehad, de hele tweede helft. Journalistiek en zelf meedoen gingen niet altijd even goed samen, al ben ik die arbiter nog altijd dankbaar voor de manier waarop hij mij corrigeerde. Mijn vader kwam wel eens kijken, zonder zich in loftuitingen te verliezen, want hij was bang dat ik bij te veel lof een dikke kop zou krijgen.

Soms had ik via jeugdige overmoed een te groot zelfvertrouwen ontwikkeld. Na in een zaterdagmiddagcompetitieduel twee doelpunten van nauwelijks te omvatten schoonheid te hebben gemaakt, besloot ik mijn allernieuwste vriendinnetje uit te nodigen mijn prestaties eens te komen bezichtigen. Het werd een ramp. Haar rode mutsje had ik al gauw langs de zijlijn ontdekt en ik nam mij voor tenminste een half dozijn goals te gaan scoren. Maar dat liep anders. Wie té graag wil presteren presteert helemaal niet. Alle schoten van mijn linkervoet gingen die middag of hoog over of ver naast. Niets lukte.

Beschaamd voegde ik mij na afloop bij haar. Ze bekeek mij met een ironische blik en nadat ik iets van “pech” en “volgende week beter” had gemompeld, bracht zij het gesprek op de nieuwste film van de Poolse tenor Jan Kiepura en de Hongaarse sopraan Martha Eggert. Ze had kaartjes en of ik mee wilde? Het werd een prima avond. Alleen in de pauze was ik nog even bang dat ze over al die gemiste scoringskansen zou beginnen. Maar daar was ze veel te aardig voor.