De wereld zien - in je portemonnee

'Wat kost het' lijkt de sleutelzin te zijn in hun bestaan. Thailand is 'boring' en opmerkingen als 'Ik ben de naam van die stad alweer vergeten, maar we hebben er erg veel lol gehad' zijn een vast onderdeel van hun conversatie.

Op mijn reis door Laos kwam ik ze weer eens in pure vorm tegen: de backpackers. Ze horen met hun egocentrisme tot de ergerniswekkendste mensensoorten die er op onze aardbol rondzwerven. Deze meestal jonge, altijd Westerse en, ondanks hun constante gezeur, niet echt onbemiddelde rugzaktoeristen reizen maanden-, ja soms jarenlang de wereld rond. Ze leggen daarbij een grote voorkeur aan de dag voor het armste deel van de wereld, waarbij vooral Zuidoost-Azië zich in hun belangstelling mag verheugen.

Omdat die culturen zo interessant zijn? Welnee, daar gaat het helemaal niet om - het gaat erom dat een verblijf in deze landen zo weinig kost. Ook speelt een rol dat de Zuidoost-Aziaten gemakkelijk in de omgang zijn: ze zijn een stuk docieler dan 'al die veeleisende Westerlingen'.

Sinds Laos in 1994 de grens openstelde mag ook dit straatarme land zich verheugen in een groeiende populariteit onder de rugzaktoeristen. Ze lijken vooral samen te klonteren in Luang Prabang, de oude hoofdstad van het Laotiaanse rijk met zijn tientallen tempels, waar het levenstempo traag is, de kippen over de weg kuieren en de sfeer overeenkomt met die van Oosterend op Terschelling.

De backpackers waren niet op de tempelrijke stad afgekomen voor het spirituele gehalte, maar simpelweg omdat je hier voor een paar gulden per nacht al een bed tot je beschikking hebt. Het was niet moeilijk om daar achter te komen. Je gaat gewoon naar een van die restaurantjes die er speciaal voor hen zijn en waar je geen autochtone gast zult aantreffen, en je spitst je oren. Daar hokken ze samen om met elkaar, onder het genot van een enkel kopje thee of limoensap, de hele avond luid van gedachten te wisselen over de goedkoopste guesthouses in Kathmandu, Bombay of Hanoi, de goedkoopste route er naar toe en de prijs van de visums in de verschillende hoofdsteden. Want daar draaien de backpackconversaties altijd om: geld. Elk dubbeltje extra dat in deze landen moet worden uitgegeven, wordt uitgebreid bediscussieerd. De mogelijkheid dit probleem te omzeilen door de rondreis terug te brengen van anderhalf jaar tot pakweg één jaar, schijnt niet in hun hoofd op te komen.

Dat de meeste mensen in de landen die ze bezoeken ook geldproblemen hebben - zij het van andere aard - schijnt ze volkomen te ontgaan of niks te interesseren. De autochtonen zijn er eigenlijk alleen als onderdeel van het exotisch decor. Af en toe glimlachen de backpackers eens naar ze en spreken ze hun verbazing uit over hun primitieve gepruts. Als ze al eens noodgedwongen moeten communiceren met een autochtoon - die natuurlijk beroerd Engels spreekt - dan gaat het op een neokoloniaal toontje: 'Hé, vertel jij mij eens hoe laat de bus hier vertrekt.'

Vooral Engelsen en Amerikanen vinden het de vanzelfsprekendste zaak van de wereld dat iedereen hun taal tot in de puntjes beheerst. En alsof de rugzaktoeristen willen accentueren dat de landen die ze bezoeken hen geen barst kunnen schelen, worden ze met het grootste gemak door elkaar gehaald. 'Dat was toch in Indonesië, of waren we toen al in Vietnam?'. Nepalezen, Laotianen of Indonesiërs - het maakt voor de backpacker allemaal niks uit. Als het er maar goedkoop is.

Maar ook de backpacker merkt ondanks z'n schraperigheid onvermijdelijk eens dat z'n portemonnee leeg raakt. Voor hem is dat geen enkel probleem. 'Dan ga ik even wat bijverdienen in Hongkong of Australië', hoorde ik ze herhaaldelijk zeggen. Dat die arme Laotianen dat niet kunnen, tsja, daar kunnen ze zich het hoofd niet over breken. Tenslotte bezorgt het op orde houden van hun eigen kas ze al kopzorg genoeg. Genoeg om alle echte armoede te vergeten.