De privatisering van de archeologie

Archeologie is tot nu toe zelden gezien als een studie waarmee in het bedrijfsleven wat te ver- dienen viel. Dat is veranderd. Het aantal archeologiebedrijven neemt snel toe, wetten worden aangepast en de eerste beschul- diging van ongeoorloofde concurrentie is aan de Neder- landse Mededingingsautoriteit voorgelegd. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Wat denkt u, bestaat er binnen afzienbare tijd naast de vervoer-, metaal-, zorg- en onderwijssector ook zoiets als de archeologiesector, inclusief rituele CAO-onderhandelingen? Bedenk, voor het idee lacherig af te doen als science fiction, dat pakweg vijftien jaar geleden vrijwel niemand gedacht heeft dat het milieu nog eens een volwassen bedrijfstak zou opleveren. Alles wat met het milieu te maken had, was immers de hobby van een stel geitenwollensokkenactivisten. Inmiddels gaat er in die bedrijfstak ruw geschat een half miljard gulden per jaar om. Misschien zal het in de archeologie zo'n vaart niet lopen, maar de eerste contouren van een archeologische markt zijn er wel.

Op dit moment zijn er ongeveer vijftig bedrijven en ondernemers in de archeologie. Een daarvan is het archeologisch adviesbureau RAAP - waar bij McKinsey de mapjes roze en bij Berenschot blauw zijn, zijn ze bij RAAP donkergrijs of bordeauxrood. Het hoofdkantoor is gevestigd in Amsterdam.

Bijkantoren staan in Leeuwarden, Oosterhout en Roermond. Op de lijst van opdrachtgevers prijken Nederlandse overheden, de Europese Unie en bedrijven als de Nederlandse Spoorwegen. Het werkterrein bevindt zich niet alleen in Nederland, maar soms ook in Frankrijk, Spanje of zelfs in Cambodja. In totaal vijfenveertig werknemers zijn bezig met archeologisch advieswerk, bijvoorbeeld onderzoeken waar op een potentiële bouwlocatie wel of niet archeologische sporen te verwachten zijn. Niet slecht voor iets dat veertien jaar geleden is begonnen als een werkgelegenheidsproject. Aan RAAP valt dan ook mooi af te lezen hoe de archeologische markt zich de laatste vijftien jaar heeft ontwikkeld.

In de jaren tachtig was archeologie een studie die voor vrijwel zekere werkloosheid opleidde. De universiteiten en de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), van oudsher de grootste afnemers van afgestudeerden, moesten volop bezuinigen en hadden geen plaats meer voor nieuwe mensen. Voor vele net afgestudeerde archeologen wachtte in die tijd de Sociale Dienst of de omscholingscursus. Een enkeling volgde zijn hart en besloot toch als kleine zelfstandige in de archeologie werkzaam te blijven. Dat kwam vaak neer op hier eens wat botten determineren en daar eens pollen analyseren en blij zijn dat er thuis ook nog een man of vrouw met een vaste baan was die voor geregelde inkomsten zorgde.

Het Instituut voor Pre- en Protohistorie (IPP) van de Universiteit van Amsterdam kwam in 1984 met het initiatief om werkloze archeologen met behoud van uitkering de slootkanten van de Noord-Hollandse polder bij Assendelft te laten onderzoeken op archeologische sporen. Een goede gelegenheid om te kijken of archeologische veldverkenning, waarmee bijvoorbeeld in het Mediterrane gebied veel vindplaatsen in kaart waren gebracht, ook werkte in het platte Hollandse land.

Het onderzoek was een succes en kreeg een vervolg, er werd een stichting opgericht die voluit Regionaal Archeologisch Archiverings Project (RAAP) heette. De universiteit stelde huisvesting ter beschikking en een wetenschappelijk medewerker van het IPP werd directeur.

RAAP ontwikkelde zich tot een bedrijfsmatig en met moderne apparatuur werkende specialist in non-destructief archeologisch onderzoek, waarvoor Nederland al snel te klein was. Duitsland lonkte, waar in enkele deelstaten de markt voor archeologische bedrijven openging.

Vandaag de dag zijn de banden met de universiteit verbroken, heet RAAP kortweg RAAP, heeft het een eigen, nieuw kantoor, is het nog steeds een stichting, komt er op verzoek van de bank ook een bv, zijn alle Duitse activiteiten afgestoten en wordt sinds twee jaar bijna de hele omzet van ongeveer vier miljoen gulden in Nederland gehaald.

Met de economische hausse van de laatste jaren is ook hier een heuse archeologische markt gegroeid. De overheden, die wat ruimer in hun middelen zitten, geven tegenwoordig makkelijker geld uit voor onderzoek naar het erfgoed in de directe omgeving. Zelfs een kleine gemeente als Ten Boer, ten noorden van Groningen, geeft vijf-, zesduizend gulden uit aan een klein verkennend archeologisch onderzoek, omdat zij het belangrijk vindt om meer te weten te komen over haar oudste geschiedenis.

Nog een reden waarom de archeologische werkzaamheden zijn toegenomen: sinds 1992 zitten de ratificatie en implementatie van het Verdrag van Malta er aan te komen. Het verdrag bepaalt dat er bij bouwplannen rekening gehouden moet worden met het archeologisch erfgoed in de grond: archeologen moeten er vanaf het begin bij betrokken worden en eventuele aanwezige archeologische sporen moeten door aanpassingen in de plannen of speciale beschermingsmaatregelen behouden blijven. Waar dat niet mogelijk is moet de veroorzaker de benodigde opgravingen betalen.

De Tweede Kamer moet officieel nog een besluit nemen, maar om het overzichtelijk en hanteerbaar te houden zal het er wel op neerkomen dat het principe 'de veroorzaker betaalt' in eerste instantie geldt voor grootschalige, MER-plichtige projecten, zoals huizenbouw op Vinex-locaties en de aanleg van de Betuweroute. Dat is nog toekomstmuziek, maar omdat overheden, bedrijven en instellingen als het ministerie van Defensie, NS Railinfrabeheer, de Gasunie en Rijkswaterstaat al in de geest van het verdrag werken is het archeologische werk nu al enorm toegenomen. Met als gevolg dat de pionierende en sappelende kleine zelfstandige uit de jaren tachtig zich nu ook zonder financiële hulp van het thuisfront kan bedruipen. Sterker nog, soms heeft hij zoveel werk gekregen dat hij personeel in dienst heeft moeten nemen.

Verder wagen steeds meer archeologende de sprong en beginnen voor zichzelf. Waren er vier jaar geleden nog zevenentwintig archeologische bedrijven, nu ligt hun aantal op bijna vijftig en verschaffen ze werk aan ongeveer honderdvijftig mensen (twee arbeidspools niet meegerekend). De gezamenlijke omzet is navenant gestegen. Van een schamele anderhalf miljoen gulden in 1994 naar zeveneneenhalf vorig jaar - nog altijd minder dan wat een gemiddelde eredivisievoetballer kost, maar het gaat om de ontwikkeling. De archeologische bedrijven leveren uiteenlopende diensten als landschapsreconstructies, skeletonderzoek, illustraties, restauratie, presentatie, dendrochronologie en automatisering, maar één ding doen ze niet en dat is opgraven. Dat is voorlopig nog voorbehouden aan de ROB, en gemeenten en universiteiten die van de ROB een opgravingsbevoegdheid hebben gekregen.

De rijksdienst is jarenlang faliekant tegen commerciële opgravingsbedrijven geweest. Dat zou maar tot uitwassen leiden en het einde betekenen van verantwoord en wetenschappelijk opgraven, aldus de bevoegde personen. Engeland en Duitsland, waar het veroorzakers- principe al langer geldt en waar opgravingen aan commerciële bedrijven worden gegund, golden als afschrikwekkende voorbeelden.

In Engeland rezen in het begin de archeologische bedrijven uit de grond. MoLAS, het archeologische bedrijf van het Museum of London, had in die hoogtijdagen meer dan vierhonderd mensen in dienst. De economische crisis eind jaren tachtig, begin jaren negentig zorgde voor minder bouwen en dus minder opgraven. Talloze opgravingsbedrijven gingen over de kop of slankten drastisch af - MoLAS, met een omzet van 5,5 miljoen pond nog altijd de grootste, heeft tegenwoordig nog maar tweehonderd mensen in dienst. Tussen de overblijvers ontbrandde een concurrentiestrijd, waarbij niet langer het wetenschappelijk niveau, maar vooral lage kosten de belangrijkste wapens werden. De laatste jaren gaat het weer beter, maar her en der is onherstelbare schade aangericht door goedkoop, maar slecht opgraven zonder wetenschappelijk verantwoorde verslaglegging.

In enkele Duitse deelstaten, met name Rheinland-Westfalen en Brandenburg, is het nog steeds slecht gesteld. De Nederlandse archeoloog Willem-Simon van de Graaf, directeur en eigenaar van W.S. van de Graaf Archäologie in Kleve en met drie man in vaste dienst, kan er over meepraten. “Veel opgravingen worden onderhands en onder de prijs aanbesteed. Dat geldt bijvoorbeeld voor de regio rond Keulen, daar kom ik niet tussen.” Deze ontwikkeling was indertijd voor RAAP, dat veel in Brandenburg en Rheinland werkte, de reden om zich volledig uit Duitsland terug te trekken. Van de Graaf houdt met een omzet vorig jaar van rond de half miljoen gulden nog even vol. “Ik beperk me tot projecten in de buurt. Daarvoor moet ik het vooral van mijn naamsbekendheid hebben.”

Bedrijven als dat van Van de Graaf krijgen per project een opgravingsvergunning en worden tijdens hun werk een keer per week gecontroleerd door de oudheidkundige dienst van een deelstaat. Maar met wetenschap heeft zijn werk niet veel te maken, geeft Van de Graaf toe. “Altlasten noemen ze het in Duitsland. Zeg maar een vorm van bodemsanering.”

Ook Nederland zal in de nabije toekomst niet aan commerciële opgravingsbedrijven kunnen ontkomen. Na invoering van het Verdrag van Malta zal het werk waarschijnlijk zo toenemen dat de huidige vergunninghouders het niet aankunnen. Verder zullen EU-regelingen de markt opengooien. Een en ander vereist wel een wijziging van de Monumentenwet, maar daaraan wordt gewerkt. Hierop vooruitlopend hebben opgravingsbevoegden als de universiteiten van Leiden en Groningen al een deel van hun opgravingsactiviteiten in een bv ondergebracht of gaan dat doen.

Sinds 1 mei van dit jaar is er nog een bedrijf op de markt gekomen: stichting Archeologisch Dienstencentrum (ADC). De komst van het ADC heeft bij enkele ondernemers in de archeologie voor beroering gezorgd. De nieuwkomer, met tachtig werknemers in één keer het grootste archeologische bedrijf, is het resultaat van de verzelfstandiging van een steunstichting van de ROB, die namens de dienst opgravingen uitvoerde. De ROB, die tegenwoordig archeologische monumentenzorg tot hoofdtaak heeft, dreigde teveel in de dubbelrol van opdrachtgever en uitvoerder terecht te komen en heeft daarom de stichting afgestoten.

Het ADC, dat zelf nog geen opgravingsbevoegdheid heeft, mag door een gewijzigde vergunning van de ROB opgravingen doen - onder verantwoordelijkheid van de rijksdienst, maar met het bedrijfseconomisch risico voor eigen rekening. De regeling geldt voor de periode die nodig is om de Monumentenwet te wijzigen. Twee jaar wordt als termijn genoemd. “Dat zal wel veel langer duren,” zegt Willem-Simon van de Graaf, nog in dubio of hij zich te zijner tijd ook op de Nederlandse markt zal begeven.

Zeven andere archeologische ondernemers hebben al vast de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de afdeling Overheid en Markt van Economische Zaken gevraagd zich uit te spreken over de verzelfstandiging van de ROB-stichting. Het ADC, zeggen zij, kan in de jaren dat de wijziging van de Monumentenwet duurt door de goed gevulde ROB-opdrachtenportefeuille de markt naar zijn hand zetten en de prijzen vaststellen. Verder zou er ook nog eens sprake zijn van een verkapt staatskrediet, omdat het ministerie van OCenW garant staat voor vier miljoen gulden. Kortom, zegt het zevental, hier is sprake van oneerlijke concurrentie en een verzelfstandiging op een manier zoals het volgens de Commissie Cohen, die zich vorig jaar uitsprak over mededinging en verzelfstandiging van rijkstaken, juist niet moet.

Uitspraak volgt nog, maar Roel Brandt, directeur van het ADC en voormalig directeur van RAAP, vindt alle ophef niet nodig. Juristen van OCenW hebben gezegd dat alles klopt. De vier miljoen is een garantie aan de bank, mocht het ADC onverwachts failliet gaan. Hij is niet uit op een monopoliepositie.

Zelfs de schijn van een blijvende band met de ROB probeert hij weg te nemen door op zoek te gaan naar kantoorruimte buiten Amersfoort. Verder zal hij in de toekomst niet meer diensten dan opgraven aanbieden. Hij wil juist samenwerken met bedrijven als RAAP, die aanvullende diensten aanbieden. Er zal dus genoeg ruimte zijn voor andere opgravingsbedrijven, alleen ziet hij het ADC, dat mikt op een jaaromzet van twaalf miljoen gulden, wel als enige speler die straks meerdere grootschalige projecten tegelijk aankan. “De Nederlandse archeologie is klein, iedereen kent elkaar, de verhoudingen zijn vrij goed. We komen er wel uit. De discussie is goed. Zo voorkomen we dat we straks op prijs tegen elkaar gaan concurreren.”

Om Engelse en Duitse toestanden te vermijden moet er een kwaliteitsstelsel met strenge voorwaarden voor toekomstige opgravingsbevoegden komen. Het adviesbureau CBE Consultants brengt half september hierover een advies uit aan OCenW. Gedacht moet worden aan zaken als ISO-certificering en de opzet van een register van archeologen met een gedragscode. Dergelijke zaken moeten ook voorkomen dat buitenlandse bedrijven Nederland overspoelen.

Het is de vraag in hoeverre die vrees, die bij een aantal archeologen leeft, terecht is. De ruim zeshonderd geregistreerde Engelse bedrijven zetten naar een schatting van Peter Hinton, directeur van het Institute of Field Archaeologists, ruim 115 miljoen gulden om en doen dat bijna volledig op hun thuismarkt. Zelfs een groot bedrijf als MoLAS, met veel ervaring in stadsarcheologie, doet maar een enkele keer een opgraving in het buitenland, zoals nu in Beiroet.

Waarschijnlijker is dat ingenieursbureaus als Arcadis/Heidemij zich op de archeologische markt zullen begeven. “Twee jaar geleden wilden ze ons al overnemen,” zeggen ze bij RAAP. “Zochten we mogelijkheden om samen te werken,” zwakt Harry Vermeij af. Vermeij, marktmanager stad en belast met het in kaart brengen van 'valkuilen' bij concepten voor ruimtelijke inrichting, acht de markt nog niet interessant genoeg voor een aparte archeologische afdeling bij Arcadis/Heidemij. “Maar met de komst van het Verdrag van Malta kan het geen kwaad om een netwerk in de archeologische wereld op te bouwen.”

Immers, voor civieltechnisch, milieukundig en archeologisch onderzoek moeten min of meer dezelfde handelingen in de bodem worden uitgevoerd. “Waarom zou je die niet zo veel mogelijk bundelen, in plaats van drie verschillende ploegen het veld insturen die iedere keer bijna hetzelfde doen?” zegt Vermeij.

Vermeij ziet genoeg parallellen met de ontwikkeling van de milieumarkt, om te stellen dat archeologie de komende jaren belangrijker wordt. Maar hoe groot zal de markt worden? Gaat er straks, zoals nu in rapporten wordt geopperd, per jaar honderd miljoen gulden in de Nederlandse archeologie om?

Het blijft koffiedik kijken. Of zoals IFA-directeur Peter Hinton het zegt:“Vragen hoe het met de archeologische bedrijven zal gaan is vragen hoe het met de projectontwikkeling zal gaan. U vraagt me dus de economie te voorspellen.”