Architectuur mag geen vrijplaats zijn; nogal wat architecten zien alleen zichzelf

Het gaat goed met de Nederlandse architecten. De keerzijde van het succes is echter dat probleemgevallen onder uitgevoerde projecten onder het vergrootglas terechtkomen, zoals het winkelcentrum De Kolk in Amsterdam. Volgens Kees van der Hoeven heeft het er alle schijn van dat ontwerpers het met hun maatschappelijke verantwoordelijkheid niet al te nauw nemen.

Voor de tweede keer stond ik, nu met fototoestel in de hand, voor het immens grote Piraeus-woongebouw op het KNSM-eiland in Amsterdam. Een jongetje kwam naar me toe en vroeg: “Gaat u dit gebouw fotograferen meneer [...] doe maar niet want het is helemaal niet mooi...” Hij kon niet weten dat ik juist teruggekomen was om de hoge hal met zijn schaalloze afmetingen - zonder enige referentie naar de menselijke maat - vast te leggen.

Het was ruim drie maanden na mijn eerste bezoek met een groep architecten onder begeleiding van een van de ontwerpers. Een schokkende ervaring - zelden nog had ik zo'n onmenselijk gebouw bezocht. Na afloop probeerde ik bij mijn collega's enige discussie los te weken, maar tevergeefs. Iedereen had het prachtig gevonden. De jaarlijkse BNA-Kubus is zojuist toegekend aan de hoofdarchitect, de Duitser Hans Kohllhoff. Zijn co-architect Christian Rapp kreeg eerder de Maaskant-prijs voor jonge architecten. Buitenlandse ontwerpers hebben dus succes in Nederland.

Maar het gaat ook goed met de Nederlandse architecten. Beleggers blijven investeren in onroerend goed en het totale jaarlijkse opdrachtenpakket groeit gestaag. Er is zelfs internationale belangstelling voor onze nationale architectentop. Het werk van bureaus als OMA (Office for Metropolitan Architecture), West 8 (Adriaan Geuze c.s.), MVRDV (Maas-Van Rijs-De Vries), Van Berkel-Bos en EEA (Erick van Egeraat Associates) wordt beloond met prijzen en binnen- en buitenlandse monografieën.

Door het groeiende succes komen de probleemgevallen onder de gerealiseerde gebouwen van deze architecten echter ook onder het vergrootglas terecht.

Sommige van die missers zijn zo uitgesproken dat ze de landelijke dagbladpers haalden. We weten zo dat de recente herinrichting van het Schouwburgplein in Rotterdam (West 8) nu al gerenoveerd moet worden, dat de gevelbekleding van het prestigieuze, nieuwe winkelcentrum De Kolk (Van Berkel-Bos) in Amsterdam er vanaf valt en dat de winkels daar failliet zijn. Ook de pyloon van de Erasmusbrug heeft ons meerdere malen bij slecht weer verteld dat hij (ter plaatse van zijn knik) pijn heeft.

Vaker worden de tekortkomingen nog niet als dusdanig herkend. Het veelgeroemde Woon-Zorg-Complex (MVRDV) in Slotervaart heeft een aantal woningen dat is opgenomen in enorme uitkragingen aan de hoofdmassa. Dit spectaculair ogende en de zwaartekracht tartende complex ontlokte een rasechte Amsterdammer de opmerking: 'Wat er ook gebeurt jongen, die woningen donderen d'r een keer af.'

Ook de daar van gekleurd glas voorziene balkons roepen de vraag op of de bejaarde bewoners het sappige groene gras waar ze op uitkijken nog wel kunnen herkennen nu ze worden gedwongen de buitenwereld te bekijken door een paarse, oranje of groene glasplaat.

Maar het kan nog erger: in het al genoemde Piraeus-gebouw van Kohllhoff en Rapp moeten de kinderen eerst dertien tot veertien jaar worden voordat ze over de zware, gemetselde balustrade van hun galerij naar buiten kunnen kijken.

Andere problemen zitten meer verscholen: in het nieuwe Hilversumse VPRO-gebouw (MVRDV) en in het Educatorium (OMA) in Utrecht komen bijvoorbeeld hellende vloeren en schuin oplopende wanden voor. Dit soort middelen werd vroeger wel toegepast door onze verre voorouders als ze de vijand wilden desoriënteren bij het onverwacht binnentreden van hun forten.

Terwijl in bergachtige gebieden iedereen weet dat een helling een ramp is en men daar die hellingen juist beter begaanbaar (vergelijk: 'begane grond') probeert te maken, wordt echter door de avant-garde in ons vlakke land gewezen op de vernieuwende en verbindende kwaliteiten van de schuin oplopende vloer.

Eén voorbeeld spant wat dat betreft de kroon: het - in de publicaties indrukwekkend mooie - nieuwe gebouw van de RVU (MVRDV) in Hilversum. Dat blijkt in werkelijkheid zelfs in zijn geheel scheef te liggen. Waarschijnlijk om het effect van het 'loskomen' van de aarde aan de tuinzijde te vergroten. Binnen leidt dit simpele visuele effectbejag tot scheefstaande ramen in alle kantoorkamers en tot niveauverschillen in de gangen. Deze gangen moeten dan ook met hellingbanen of met traptreden 'genomen' worden. Meerdere kamers blijven daardoor zelfs onbereikbaar voor gehandicapte gebruikers, iets wat in openbare gebouwen al jaren verboden is.

In dit geval kun je nog slechts spreken van hit-and-run architectuur: ontwerpen, opdrachtgever overtuigen, snel bouwen, foto's maken, publiceren, scoren en wegwezen. Deze architecten zien alleen zichzelf.

Bovenstaande voorbeelden roepen de vraag op of de ontwerpers niet te vaak de grenzen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid overschrijden. Denken ze nog wel aan het simpele welzijn van de gebruikers van hun producten? Of aan het toekomstig gebruik? Natuurlijk is geen dociele 'architectonische dienstbaarheid' vereist, maar van architecten mag toch ten minste worden verlangd dat de vormen die zij maken door anderen begrepen en gebruikt kunnen worden? Afgelopen maand, tijdens een BNA-symposium met als thema 'Architect en Ethiek', kwamen deze vragen slechts in de marge aan de orde.

Het moet toch mogelijk zijn om, ook met gebruikmaking van nieuwe concepten en vormen, aan de basisvoorwaarden van architectuur zoals het bieden van veiligheid en een gezond en prettig woon- en werkklimaat te voldoen? Wordt daar in de opleidingen nog wel genoeg aandacht aan besteed? En wat te denken van de voorbeeldwerking?

Want architectuurstudenten - maar helaas ook docenten en jury's die prijsvragen uitschrijven - volgen hun idolen op de voet. Bij de laatste Archiprix (een selectie van afstudeerplannen uit het hele land) waren de schuin oplopende vloeren al redelijk vertegenwoordigd. De eerste prijs ging daar zelfs naar een geheel 'getordeerd' gebouw.

Voormalig Rijksbouwmeester Wim Quist stelde ooit dat een architect niet meer slordig of hinderlijk in zijn gebouwen aanwezig hoort te zijn. Dat wordt vandaag de dag gezien als een ouderwets standpunt. Voor hem is er in elk geval één troost: zijn gebouwen kunnen in de toekomst nog verbouwd worden. Dat is in het geval van de RVU al niet meer mogelijk.