Zonder glorie, met toekomst

Van Zijl wilde niet in het kabinet (eigen beslissing), Cornielje kon niet in het kabinet (met een PvdA-minister op Onderwijs was hij wél staatssecretaris geworden) en Bakker mocht niet weg uit de fractie (die na het vertrek van vice-voorzitter Roger van Boxtel en financieel specialist Gerrit Ybema al te zeer was verzwakt).

Maar wat is het perspectief van de tweede man? Vice-voorzitters hebben gemiddeld sterke kaarten om carrière te maken. Neem de afgelopen kabinetsformatie. Bij de VVD werd de tweede man onder Bolkestein, Benk Korthals, beloond met het ministerschap (zoals Hans Dijkstal dat eerder overkwam), bij de PvdA schoven de twee vice-voorzitters (Adelmund en Vliegenthart) door naar een staatssecretariaat (respectievelijk op Onderwijs en Volksgezondheid). En de tweede man van D66, Roger van Boxtel, werd de vijftiende minister in het kabinet.

Menig vice-voorzitter werd later zelf ook voorzitter, bij de PvdA Ed van Thijn, Wim Meijer en Thijs Wöltgens. Jaap de Hoop Scheffer veroverde het leiderschap bij het CDA vorig jaar op Enneüs Heerma vanuit een positie als tweede man. En Hans Dijkstal kwam na de omweg van een ministerschap als voormalig vice-voorzitter ook op de eerste positie uit.

Wat is hun grootste risico: de baas vervangen. Om vanuit de coulissen succesvol op te treden in het volle licht van de schijnwerpers is meer dan een stap vooruit. Eén slechte invalbeurt in de Tweede Kamer en je kunt het verder vergeten. Zo verging het bij het CDA Huib Eversdijk, Zeeuws Kamerlid en specialist natte waterstaat. Begin jaren tachtig verving hij zijn fractievoorzitter Bert de Vries in een debat over sociale uitkeringen. Eversdijk sprak daar bij herhaling over uitkeringstrekkers, waar de politiek het al lang over uitkeringsgerechtigden had. Wim Meijer, toenmalige vice-voorzitter van de PvdA, nam de CDA'er over zijn woordgebruik op de korrel en Eversdijk was zijn verhaal kwijt. Hij heeft zijn baas daarna nooit meer vervangen en is tegenwoordig lid van de Eerste Kamer.