Zapman

Er was eens een man. Je kunt het zo gek niet bedenken of hij had het. Talent, geld, schoonheid, charme. Hij heette Justin Fashanu. Het liep slecht met hem af. In mei dit jaar heeft hij zich opgehangen. Ik zag het donderdag op de BBC. Hij woonde in Engeland en hij voetbalde bij Norwich. Hij was goed in scoren, het ging vanzelf, hij deed het voor de lol. Ze vlogen erin als broodjes. De bal kleefde aan zijn voeten tot hij bij het doel van de tegenstander kwam. Dan leek het of de bal erin werd gezogen.

We leven in een tijd, als je veel ballen erin schiet, kun je het een eind schoppen. Er zijn tijden geweest, niet eens zo lang geleden, dat het leuk was om veel doelpunten te scoren, meer niet. Leuk voor jezelf, leuk voor de club.

Tegenwoordig is er nog weinig zomaar leuk. Als je een goede spits bent, ligt de wereld aan je voeten. Meer dan leuk alleen. Justin Fashanu kocht sportwagens en dure horloges. En waar hij ook ging, wat hij ook deed, wat hij ook zei, hij kon geen kwaad doen.

Op een dag maakte hij voor Norwich een doelpunt, zo mooi, heel Engeland zag het op de televisie. Nu kwam Nottingham Forest, er werd een astronomisch bedrag op tafel gelegd. Justin Fashanu verwisselde van club. Waar je ook bent, wat je ook doet, wat je ook zegt, het is allemaal te koop.

De nieuwe club werd getraind door een chagrijn die de lol van voetballen niet inzag. Of het dat is geweest, of iets anders, de bal wilde niet meer aan de voeten van Justin kleven. De doelen hielden op met zuigen. Bij zijn vorige club scoorde hij met gemak veertig keer in een seizoen, nu hooguit zes. Het ligt soms gevoelig.

Ik weet een jongen, tot zijn twaalfde waren hij en de bal één. Toen kwam er een nieuwe coach. Voor de eerste wedstrijd van het seizoen kwam die de kleedkamer binnen om iedereen een hand te geven. De oude coach deed nooit zo gewichtig. De jongen schrok: nu werd het menens. Eenmaal op het veld verstijfde hij, de geliefde bal sprong van zijn voet en is nooit meer teruggekomen.

De grote truc van voetballen is, al verdien je er miljoenen mee, al staan je ouders langs de lijn, al houdt een hele natie de adem in: je lichaam moet denken dat het voor de lol is, anders gaat het mis. Oppassen dus wie je een hand geeft.