Universiteiten flirten met bedrijfsleven

De universiteiten blijken hun blik steeds meer op de markt te richten in plaats van op de overheid. Ze moeten wel om het hoofd boven water te kunnen houden. Dat blijkt uit de redevoeringen bij de opening van het academisch jaar.

ROTTERDAM, 7 SEPT. Verschillende universiteitsbestuurders lieten vanmiddag bij de opening van het academisch jaar weten een steviger relatie met het bedrijfsleven niet alleen gewenst, maar ook noodzakelijk te vinden. Zij zijn het erover eens dat hun instellingen hun exclusieve positie als kennisbolwerk kwijt zijn. Zij klaagden echter niet over het verdwijnen van hun bijzondere status als opleiders van een selecte groep topacademici, al wordt er wel regelmatig vol heimwee aan het verleden gerefereerd.

Sommige universiteiten gaan daarbij zover dat de rol van de overheid tot een minimum wordt gereduceerd. De gastspreker in Maastricht, voorzitter R. Meijerink van de overkoepelende vereniging van universiteiten (VSNU), vatte het overheersende gevoel samen: “Het beschamende budgettaire perspectief maakt één ding wel duidelijk: de universiteiten worden steeds meer in de richting van de markt geduwd.”

Omdat de overheid het laat afweten, is het volgens Meijerink onvermijdelijk dat universiteiten in hun speurtocht naar financiering meer en meer hun heil zoeken in strategische allianties met bedrijven, topinstituten en onderzoekscholen, postdoctorale opleidingen, sponsoring en contractonderzoek.

Die geringe rol die de bestuurders voor de overheid hebben bedacht, komt voort uit algehele teleurstelling over het nieuwe kabinetsbeleid. Na jaren van bezuinigingen op de budgetten van de universiteiten en de hogescholen hadden ze juist meer geld verwacht. In plaats daarvan moet het wetenschappelijk onderwijs de komende vier jaar 300 miljoen gulden extra bezuinigen. Dit jaar is de onderwijsbegroting voor de universiteiten 5,3 miljard. “Dit is illustratief voor de desinteresse van de overheid voor het hoger onderwijs”, merkte dr. K. Dittrich, bestuursvoorzitter van de Universiteit Maastricht bitter op.

De universiteitsbestuurders hekelen het gebrek aan investeringen des te meer, omdat het tekort aan hoogopgeleiden almaar nijpender wordt. De komende kabinetsperiode zullen 100.000 mensen afstuderen. Dat zijn er 50.000 te weinig om aan de verwachte vraag te voldoen, aldus Y. van Rooy, bestuursvoorzitter van de Katholieke Universiteit Brabant. Volgens haar wordt de krapte op de arbeidsmarkt de achilleshiel van Paars II. Zij pleit voor een actieprogramma van de betrokken ministeries, de universiteiten en de hogescholen en de sociale partners.

De universiteiten smeden ieder hun eigen plan om hun toekomst veilig te stellen: Maastricht wil in samenwerking met de provinciale en gemeentelijke overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties de 'lerende regio' tot stand brengen, waardoor de positie van Limburg wordt versterkt. Collegevoorzitter Dittrich: “In mijn opvatting zijn onderwijs, samenleving, economische groei, sociale en culturele ontwikkeling nauw met elkaar verbonden.”

De Universiteit Twente wil de banden met het bedrijfsleven en de publieke sector aanhalen. Niet met het doel om een academische kapitalist te worden, haast rector magnificus F. van Vught te zeggen. Volgens hem is dit noodzakelijk in een tijd waarin de universiteiten hun monopoliepositie op wetenschappelijke kennisproductie en kennisoverdracht hebben verloren.

De Groningse rector, F. van der Woude, heeft een opvallend positieve inbreng. Volgens hem is er geen kloof meer tussen de universiteit en de arbeidsmarkt. “De contacten en contracten met het bedrijfsleven zijn intensief en veelvuldig, zowel regionaal, nationaal als internationaal.” Wel vindt Van der Woude dat universiteiten als gevolg van de toenemende internationalisering op gelijke voet moeten blijven met het hoger onderwijs in het buitenland. Daarom bepleit hij een nieuwe titel voor doctorandi. Zij zouden in het vervolg de titel 'meester' moeten dragen, die beter is te vergelijken met de titel van 'master' in het buitenland.

Het verst ging C. Herkströter, oud-topman van Shell, vanmiddag aan de Erasmus Universiteit. Volgens hem moeten universiteiten zich meer richten op de eisen van de markt. Want het wetenschappelijk onderwijs kan pas van kwalitatief hoog niveau zijn, als de afgestudeerden zonder problemen kunnen worden ingezet op de arbeidsmarkt.

Hoewel dergelijke stevige uitspraken van een man uit het bedrijfsleven verwacht kunnen worden, is Herkströter geen buitenstaander binnen de academische veste. Hij is voorzitter van de Raad van Toezicht van de Rotterdamse universiteit. De raad heeft een adviserende en toezichthoudende taak op het universiteitsbestuur en onderhoudt tevens contact met de minister van Onderwijs.

Aan de Rijksuniversiteit Leiden liet voorzitter L. Vredevoogd een ander geluid horen. Volgens hem is de academische vorming van studenten, die de afgelopen jaren in hoog tempo voor de arbeidsmarkt klaargestoomd werden, in de verdrukking gekomen. Daarom wil Leiden niet langer kiezen voor een brede, algemeen vormende opleiding, maar moeten de studenten in de doctoraalfase weer de diepte in: zich binnen één discipline grondig in een onderwerp verdiepen.

Maar ook Vredevoogd klampt zich bepaald niet vast aan de overheid. Vanaf vandaag zal zijn universiteit de naam Universiteit Leiden dragen, laat hij weten. Omdat het voorvoegsel 'Rijks' te veel de verbondenheid met de overheid uitdrukt.

Warme woorden over Jankarel Gevers

Aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) hadden de sprekers hun blik niet op de toekomst gericht maar op het verleden. Hun speeches waren gewijd aan de begin vorige maand overleden bestuursvoorzitter Jankarel Gevers. Het Tweede Kamerlid Judith Belifante (PvdA) werd twee maanden geleden door Gevers nog persoonlijk opgebeld. Hij vroeg of zij, als oud-studente, wilde spreken bij de opening van het academisch jaar van de UvA. Ze zegde toe, maar hoe anders dan zij toen had verwacht, werd haar toespraak.

Belifante haalde vanmiddag herinneringen op aan haar studententijd in de jaren zestig, die ook de studententijd van Gevers was. Zij studeerde geschiedenis in Amsterdam, hij sociologie in Leiden. Het was een tijd waarin prestatiebeurs en temponorm nog niet bestonden. Een tijd waarin de studenten naast de ontwikkeling van hun IQ (het intellect), veel ruimte hadden voor de ontwikkeling van hun EQ (emotionele intelligentie).

Die vrije academische vorming betekende voor sommigen pokeren in de kroeg, zo vulde de Amsterdamse socioloog Kees Schuyt in zijn aan Gevers gewijde rede aan. Maar anderen benutten die “enorme kans op elitaire vorming”, die slechts voor de elite van de studenten was weggelegd, niet in maatschappelijke maar juist in intellectuele zin. Gevers had zijn kans met beide handen aangegrepen, aldus Schuyt.